Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
715
lager echter de bevochtigde thermometer staat, des te g r o o-
teris de verdampingskoude, dus des te sterker de
verdamping; maar hoe sterker de verdamping geschiedt,
des te drooger moet de lucht zijn. Bij den psychrometer
besluit men dus uit de verdampingskoude tot de snel-
heid der verdamping op eene plaats, die voor den luchtstroom
beveiligd is, en uit deze tot de reeds in den dampkring bevatte
hoeveelheid damp.
374. Dauw en rijp. Wanneer men in den winter een drink-
glas , dat men in eene onverwarmde ruimte bewaard heeft, in
eene verwarmde kamer brengt, dan worden de luchtlagen, die
het glas omgeven, tot beneden het dauwpunt afgekoeld, een ge-
deelte der waterdampen die er zich bevinden zet zich, tot den
drupvormigen toestand terug keerende, aan hèt glas, en het b e-
slaat. Onze vensterruiten beslaan, wanneer de lucht, die
ze van buiten aanraakt, ze dermate afkoelt, dat de nabij lig-
gende waterdampen in het inwendige der kamer er zich in de
gedaante van droppels aan zetten; daar eene bewoonde ruimte
veel meer dampen bevat, die gedeeltelijk door het uitademen
gevormd, gedeeltelijk van de spijzen opgestegen zijn, zoo be-
slaan daarin de vensters rijkelijker dan in onbewoonde kamers. Op
gelijksoortige wijze als het beslaan van het glas geschiedt de
vorming van den dauw in 't groot.
Proef (7. Op een helderen en stillen zomeravond plaatse
men op geringen afstand boven den grond horizontaal eene De dauw
glasruit; men kan ze in eene kurk klemmen, die men op
eenen stok spijkert. Des morgens zal men ze, in geval er des
nachts geen donker, stormachtig weder ontstaan is, boven en
beneden met dauw bedekt vinden. Men mag daarom even
min als men van de vochtigheid aan onze vensterruiten zegt,
dat zij er op gevallen is, zeggen dat de dauw gevallen is. Veel-
eer zijn juist de zelfde waterdampen tot dauwdroppels verdigt