Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
685
is ligter, warmer en vochtiger, de barometer daalt, en er vormen
zich wolken, regen of sneeuw.
Draaijingswet der veranderlijke winden. Terwijl de
bovenste luchtstrooming zich steeds verder van den evenaar ver-
wijdert, koelt zij zich langzamerhand af, daalt tot op de op-
pervlakte der aarde en gaat voortaan niet meer boven de lagere
luchtstrooming, maar naast haar voort. Daarom heerschen in
onze streken noordoostelijke en zuidwestelijke Min-
deu, naar gelang de lagere of oorspronkelijke hoogere lucht-
strooming waait. Andere rigtin-
gen van den wind ontstaan,
doordien de eene hoofdstroom
langzamerhand den anderen
verdringt, en wel draait zich
de wind bijna altijd naar de
orde: N., N.O., O., Z.O., Z., Draai-
Z.W., N.W.; dit wordt de
draaijingswet des wmds winds,
genaamd. Stellen wij ons eene
jilaats in ons vaderland voor,
die juist door de lagere lucht-
strooming getroffen wordt. Er
waait een noordenwind, de lucht is koud en de hemel
is helder; de wind wijkt meer en meer naar het oosten af, ver-
toont zich eindelijk volkomen als een oostenwind, die ons
altijd nog drooge poollucht brengt. De oostenwind waait zoo
lang totdat hij door eenen anderen wind afgelost wordt; maar
er is geen andere dan die, welke van den evenaar waait en
nederdaalt. Door de ontmoeting van beiden wordt een wind van
middelbare, z u i d o o s t e 1 ij k e rigting voortgebragt, in welken
de vochtige en altijd nog warmere lucht der bovenste strooming
afgekoeld wordt en door wolkenvorming, sneeuw of regen een
gedeelte van hare waterdampen verliest. Langzamerhand wordt
de zuidelijke strooming heerschend, zij brengt heldere, warme