Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
675
een vaste leemen vloer wordt door de uitzetting van het
daarin bevatte water bij het bevriezen los gemaakt. Wegens
deze uitzetting is ijs ligter dan water en drijft op de opper-
vlakte.
De kennis dezer uitzondering van de algemeene wet der uit- Belang-
zetting vergunt ons een blik te slaan in de diepe wijsheid, met rijkheid
welke in de wereld der aardsche ligchamen niet slechts hare wet- zoude-
ten, maar ook de uitzonderingen op die wetten geregeld zijn. ring.
Onze wateren koelen zich bij den invallenden winter hoofdzake-
lijk aan de oppervlakte af, die door koude luchtstroomingen
wordt aangeraakt. In stilstaande wateren, vijvers en
meren zinkt dan de bovenste, afgekoelde en zwaarder gewordene
waterlaag naar den grond. Warmer water stijgt in hare plaats
omhoog, wordt eveneens afgekoeld en zinkt weêr naar beneden.
Dit rijzen en dalen van het water zou voortduren, indien het
water door de koude steeds digter en zwaarder werd, en wei-
nige koude dagen zouden toereikend zijn om onze wateren tot
den grond toe in ijs te veranderen. Zeeën en meren zouden in een
enkelen winter tot massief ijs verstijven, en zelfs de sterkste zonne-
hitte zou niet in staat zijn om de geweldige ijsmassa's weder te doen
smelten. De gematigde aardgordels zouden wegens hun siberisch
klimaat naauwelijks bewoonbaar blijven , en het leven der aarde
zich tot een smallen gordel aan beide zijden van den equator
beperken. Zoo echter houdt bij uitzondering de zamentrek-
king van het water, en daarom ook zijn omloop (zijn rijzen
en dalen) op, zoodra zijne temperatuur tot 3° K. gedaald
is. Heeft de geheele watervlakte nog slechts 3° wannte, dan
heeft zij de grootste digtheid; de bovenstaande waterlaag wordt
door verdere afkoeling ligter, blijft boven zweven en bevriest
eindelijk tot ijs. Maar de ijskorst verhindert het indringen der
koude in de lagere waterlagen.
Anders geschiedt de ijsvorming in stroomende wateren,
In de rivieren worden door de sterke strooming de waterlagen grondijs,
voortdurend onder elkander gemengd en de geheele watermassa