Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
54
bij de beweegbare katrol is de arm der kracht tweemaal,
bij het windas gewoonlijk aanmerkelijk grooter dan de arm
van den last. Voor al deze werktuigen ontstaat evenwigt,
wanneer het moment der kracht gelijk is aan het moment van
den last. Hoe kleiner echter daarbij de werkende kracht is, des
te kleiner is de weg, dien de last doorloopt, en des te meer
tijd heeft men tot het volbrengen van den arbeid noodig.
Daarbij levert slechts de hefboom, die op messen of op scherpe
kanten steunt, een genoegzaam even grooten arbeid als de aan
hem werkzame kracht; maar de katrol en het windas verbruiken
voor hunne beweging een aanmerkelijk gedeelte van den arbeid
en volbrengen aan den last minder arbeid dan de aan hen werk-
zame kracht heeft aangewend.
De tweede groep der enkelvoudige werktuigen is die van het
hellend vlak.
IV. HET HELLEND VLAK.
29. Last en magt op het hellend vlak.
deel- Proef a. Een vlak plankje, des noods een, dat men van
ke^on cigarenkistje genomen heeft, vormt, wanneer het op het ho-
der- rizontale tafelblad ligt, een horizontaal vlak, gelijk de grond eener
steu- vlakke landstreek, wanneer men op hare geringe oneffenheden
door g6en acht slaat. Legt men op het horizontale plankje een ko-
gel, dan moet deze op iedere plaats in rust blijven liggen, om-
lend dat zijn zwaartepunt ondersteund is. Doch nu ligte men het eene
vlak. einde van het plankje op, terwijl het andere einde op het tafel-
Fig. 32. blad steunt. Dan vormt het plank-
je een hellend vlak. Wordt
er een kogel op gelegd, dan rolt
of valt hij naar beneden. Houdt
men het einde van het vlak nog
hooger, dan valt de kogel sneller dan te voren, doch altijd nog
langzamer dan indien hij in de lucht vrij en loodregt van de
zelfde hoogte nederviel. Op een horizontaal vlak oefent de kogel