Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
661
draad ook den hangenden koperdraad naar de regter zijde. De
hangende koperdraad is eene eenarmige hefboom; van zijn
ophangspunt tot aan het aangrijpingspunt van den draad is een
arm van 1 duim lengte, maar tot aan het ondereinde van
den koperdraad ten minste van 30 duimen. Het ondereinde
maakt derhalve een ten minste 30 maal zoo grooten weg als
het aangrijpingspunt van den draad en vertoont aan het oog
de plaats gehad hebbende uitzetting van den koperdraad duide-
lijk en in vergroote mate. Bij de afkoeling gaat de hefboom tot
aan het punt boven de punt der naald terug, waar hij oorspron-
kelijk stond; het regter einde van den sterkeren koperdraad heeft
zich dan naar de linker zijde bewogen, en de draad heeft
zich bij het bekoelen weder zamengetrokken. De
proef toont dat een vast ligchaam door warmte wordt uitgezet,
maar zich bij het koud worden weder zamentrekt. Mogt misschien
bij het verwarmen van den koperdraad de hefboom zich, 'in plaats
van naar de regter, naar de linker zijde bewegen, dan is dit een
teeken, dat de koperdraad te dun gekozen is en zich gekromd heeft.
Verwante verschijnselen: Een pot, die zich koud
juist door eene ovendeur liet schuiven, laat zich, wanneer hij Verwante
heet is geworden, er niet weder uittrekken, omdat hij door
, . . .. seien,
warmte uitgezet is; strijkijzerbouten vullen, wanneer zij
rood gloeijend zijn, hunne strijkijzers bijna geheel op, terwijl zij
te voren meer speelruimte hadden en zich daarin heen en weer
lieten schudden; een metalen bol, die juist door een ring
gaat, wordt door sterke verwarming zoo zeer uitgezet, dat hij
er niet meer doorheen gaat. Een ijzeren wagen hoepel daar-
entegen, die gloeijend om een rad gelegd wordt, trekt zich bij
het koud worden zamen en sluit vast om het rad; gegoten
metaalstukken vullen na koud geworden te zijn hunnen
vorm niet meer geheel, en spijkers, die heet in het nagelij-
zer geslagen zijn, laten zich, wanneer hunne warmte afgenomen
heeft, gemakkelijk er uit nemen. IJzeren sporen op spoor-
wegen verdringen bij warm weder elkander uit hunne plaats,