Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
655
346, III. Opwekking van warmte door scheikundige Opwek-
werkingen. Het meest brengen wij door het verbranden
van hout en andere brandstoffen warmte voort; het verbranden door
is eene scheikundige werking, die reeds in § 246 en volg. be-
sproken is. Gelijke gewigtshoeveelheden van verschillende brand- werkia-
stoffen ontwikkelen ongelijke hoeveelheden warmte. Om haar
verwarmingsvermogen te onderzoeken, heeft men door proeven
nagegaan, hoe veel ponden water door een pond der te onderzoe-
ken brandstoffen tot een bepaalden warmtegraad verhit worden.
Men vond dat door steenkolen, houtskolen, coke en spiritus
de viervoudige, maar door droog hout de dubbele warmte-
hoeveelheid opgewekt wordt, in vergelijking met die, welke
door gewone turf wordt ontwikkeld. De door verbranding op-
gewekte warmte moet men zoo volkomen en voordeelig moge-
lijk trachten te gebruiken, en aan de haarden en kagchels eene
doelmatige inrigting geven, daar bij een open vuurhaard slechts
het twintigste en bij de meeste kamerverwarmingen naauwelijks
het vijfde deel der ont^vikkelde warmtehoeveelheid werkelijk
gebruikt wordt, en het overige geheel verloren gaat. Een goed
ingerigte kagchel moet niet slechts aan de kamer eene toerei-
kend groote oppervlakte toekeeren, maar de verbranding moet
ook levendig en volkomen geschieden, en de rook, eer hij ont-
wijkt, er zoo doorheen geleid worden, dat hij haar het groot-
ste deel zijner warmte afgeeft. De beste der bij ons gebrui-
kelijke vormen van kagchels is de zoogenaamde mantelkag-
chel, op wier werkmg wij later (§ 357) zullen terug komen.
Even als de verbranding, gaan ook de meeste andere schei-
kundige werkingen met eene opwekking van warmte gepaard.
Proef rt. Een stuk ongebluschten kalk ^esprenge
men met water; het verhit zich in korten tijd dermate, dat zijne den kalk.
warmte voor de vingers ondragelijk wordt, en gaat tot een stof-
achtig poeder over, dat het stuk kalk in gewigt overtreft. Met
den kalk heeft zich water tot een nieuw ligchaam, geblusch-
t e n kalk, verbonden, in welken het in vaste gedaante voor-