Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
640
den, volgens de teekening te buigen draad en met SM even-
wijdig, omdat wegens den grooten afstand der zon alle stralen,
die op eene plaats der aarde aankomen, als evenwijdig te be-
schouwen zijn. AO geeft den rooden en BO den violetten straal
des regenboogs aan; zij hebben hunne bepaalde ligging ten op-
zigte van de zon en van het oog, die niet te veranderen is. Draait
men nu, terwijl men het ondereinde van den stok M op de ta-
fel en het boveneinde S in de hand laat rusten, den geheelen
toestel om den stok als as, dan beschrijven de droppels A en B
cirkelbogen en bewijzen ons, dat in den boog om het mid-
punt M zulke droppelen liggen, uit welke de onder de zelfde
hoeken uittredende stralen in het oog O aankomen.
Grootte De grootte van den regenboog, wanneer hij voUedig is, hangt
regen- stand der zon af Bij zonsopgang en zonsondergang
boog. vormt hij een volkomen h a 1 v e n cirkel, bij zonsopgang in
het westen, bij zonsondergang in het oosten. Men legge den
stok S M van den pas vervaardigden toestel horizontaal op het
tafelblad Hh, en laat dit het vlak van den horizon voor onze
streken voorstellen. Draait men alsdan den stok, dan beschrij-
ven de droppels A en B volkomen een halven cirkel. — Hoe
hooger de zon staat, des te kleiner wordt de gekleur-
de boog. Legt men, gelijk de teekening het voorstelt, omdat
het oog zich bijna in het vlak des horizons bevindt, de kurk O
zijwaarts naar den kant der tafel en verbeeldt men zich de zon in
de rigting van den stok bij S te staan, dan worden de door A
en B beschrevene cirkelbogen steeds kleiner, hoo hooger men
S verheft. Tevens ligt het middelpunt M van den cu'kel even
zoo laag onder den horizon als de zon er boven staat. Staat de
zon te hoog, meer dan 42 graden hoog, aan den he-
mel, dan wordt er voor den bewoner der vlakte volstrekt geen
regenboog zigtbaar. Terwijl de kurk aan den kant blijft liggen,
verhelïe men het boveneinde van den stok S meer dan 42 gra-
den boven de tafel; dan komen de droppels A en B onder den
horizon, een teeken dat er bij zoo hoogen stand der zon geene