Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
50
bruik bezigd om masten, zeilen en raas op te hijsehen of neer te la-
ten; bij het bouwen van huizen worden zoo balken en
takel, steenmassa 's opgetrokken. Metselaars en andere handwerkslie-
den trekken, wanneer zij aan den gevel van hooge gebou-
wen herstellingen te doen hebben, door middel van een takel
zich zeiven omhoog; de vaste katrollen worden uit het
binnenste van het gebouw boven de te herstellen plaats vast
gemaakt, en als last hangt aan de beweegbare katrollen eene
kist, waarin de arbeider zelf zich bevindt. Met een tegenover-
gesteld oogmerk, om in den weg te winnen, zoodat de kracht
eene kleinere ruimte doorloopt dan de te overwinnen last, hangt
men bij groote wand- en torenklokken menigmaal een
gewigt, dat ze als kracht drijft, aan een beweegbaren takel of
katrol; het duurt dan langer eer het gewigt op den grond neer-
gedaald is, en het uurwerk behoeft niet zoo dikwijls opgewon-
den te worden.
III. HET WINDAS.
26. Evenwigt en dienst van het windas.
Proef a. Men verschafte zich twee ronde plankjes of schijQes
van I duim dikte; laat het eene eene middellijn van 16 duim,
het andere slechts van 4 duim hebben. Beiden worden naauw-
30. a, keurig met de middelpunten op elkander ge-
legd en door spijkers of schroeven , die naast
het middelpunt ingedreven worden, aan el-
kander bevestigd. Daarop bore men, juist in
het midden der schijven, een gat van 2 a 3
strepen middellijn , brenge ze tusschen de zui-
len van den hefboomstoestel (§ II) en schuive
er eene stift doorheen. Kegts boven aan den
omtrek van het grootere, en links aan dat van
het kleinere rad worden met kleine spijkers