Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
609
Fig. 341c.
der liggen; men scheidt het van de vleugels, door ze zacht
tegen de glasplaat te drukken, waaraan het blijft hangen. Aan
de pooten van vliegen en spinnen laten zich gemakkelijk de
leden onderscheiden, waaruit zij bestaan.
Figuur 34IA stelt de menigvuldige vormen
van de stofdeeltjes der vlinders voor, gelijk
zij zich onder het mikroskoop vertoonen; alle
hebben een wortel, door welken zij aan de
vleugels bevestigd zijn. In figuur 341c is de
poot der steenspin afgebeeld, waaraan zich
als aan weverswerktuigen duidelijk kammen en
borstel laten onderscheiden.
Proef/f. Bloed. Wanneer men zich de
huid geschramd of gestoken heeft, brenge men
een kleinen droppel bloed op de glasplaat,
verdünne hem met een weinig suikerwa-
ter en legge er een dekglaasje op. Men ziet
in het bloed langwerpig ronde bolletjes van geelroode kleur.
De verdunning met suikerwater is noodig, omdat anders de
hoeveelheid der naast en over elkander li2;a;ende b 1 o e d b o 1-
letjes zoo groot is, dat men ze niet afzonderlijk kan onder-
scheiden.
Proef/. Haren. Men brenge een menschenhaar, tusschen
de glasplaat en een dekglaasje, onder het mikroskoop. Het ver-
toont zich als eene holle buis, en daarin ziet men eene vloei-
stof, die aan het haar zijne kleur geeft.
*De meeste zamengestelde mikroskopen hebben twee of meer
verschillende voorwerplenzen, die beurtelings daaraan bevestigd
kunnen worden, ten einde verschillende vergrootingen te verkrij-
gen. Welke van deze vergrootingen men voor elk der bovenbe-
schrevene waarnemingen moet bezigen, hangt van te veel bijom-
standigheden af, dan dat het mogelijk zou zijn, dit voor elk
bepaaldelijk op te geven. Men beginne steeds met eene zwakkere
vergrooting, dan die men denkt noodig te hebben, en eerst na-