Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
590
voor te ver verwijderd en voor grooter dan anders. Om de zelfde
reden schijnen de zeven sterren van den grooten beer verder
van elkander te staan, wanneer wij dit sterrenbeeld in de nabijheid
van den horizon zien. Bij mistig weder vertoonen alle voor-
werpen zich aan ons als te ver verwijderd en als in 't oog loo-
pend groot. Omdat men omgekeerd de w ij ze r p l a at of het
kruis op eenen toren te nabij acht, worden beide gemeenlijk
veel te klein geschat.
Het 321, j)Q inrigting van het oog. Het menschelijke oog is
mensciiß"
lijke een eenvoudige optische toestel, waarvan eene bolle lens het
oog. voornaamste bestanddeel uitmaakt. Het heeft den vorm van
eenen bol met eene ligte uitpuiling en ligt in eene met vet en
celweefsel gevoerde holte, de oogholte. De buitenste bekleeding
van den oogappel is het harde oogvlies, het witte in het
oog h ft //; het is hard en meestendeels on-
doorzigtig; slechts aan de voorste meer
gewelfde zijde // is het doorzigtig en wordt
daar hoornvlies genoemd. Onder het
harde oogvlies breidt zich binnen het ge-
heele oog een tweede omhulsel uit, het
ader vlies, hetwelk met eene zwarte,
slijmerige stof overdekt is. Aan de voor-
zijde van het oog heet de voortzetting
van het adervlies iris of regenboogvlies i i, zij vormt eenen
ring om eene opening en heeft eene grijze, blaauwe of bruine
kleur. De cirkelvormige opening in de iris wordt de p u p i 11 a
genaamd. Als derde, binnenste hulsel ligt binnen het adervlies
het netvlies nii, eene netvormige uitbreiding der in den
achtergrond van het oog intredende gezigtszenuw s en de eigen-
lijke zetel der gezigtsaandoening. — Achter de pupilla bevindt
zich een lensvormig ligchaam van eenigzins vastere massa, de
kristallens A', welke de inwendige ruimte van het oog in
twee ongelijk groote kamers, de kleinere voorste tot aan het