Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
579
G n, even w ij dig met de as, en wordt volgens proef a
zoodanig gebroken, dat hij de rigting p q inslaat, alsof hij uit
het verstrooijingspunt Z kwam. Het oog, dat de beide gebro-
kene stralen p g en m o ontvangt, meent die uit hun snijpunt
g te ontvangen, en ziet het grenspunt van het voorwerp niet in
G, maar digter bij in g, aan de zelfde zijde der as en daarom
regt, digter bij de as en daarom verkleind.
316. De astronomische straalbreking en de Fata Astro-
Morgana. De lagen der lucht, die de aarde omgeeft, zijn van
ongelijke digtheid; aan de hoogste grens des dampkrings het breking,
dunst; zij nemen in digtheid toe, hoe nader zij bij de opper-
vlakte der aarde zijn. Iedere lichtstraal, die van een hemel-
li ge haam tot ons komt, gaat daarom door luchtlagen van
verschillende digtheid en moet, in geval hij er schuin opvalt,
in iedere eene breking ondergaan. Aan de grens van den damp-
kring ondervindt de door eene ster A uitgezonden straal A c de
eerste afleiding van zijnen regten weg en wordt, daar hij uit de
ledige wereldruimte in een digter ligchaam treedt, naar de in-
valsloodlijn toe gebroken; in de volgende, digtere luchtlaag na-
dert hij nog meer tot de loodregte rigting en wordt steeds min-
der schuin tot hij in de rigting li O in het oog komt, dat zich
Fig. 320.
op do plaats O bevindt. Het oog ziet de ster in de rigting, in