Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
565
der poolgewesten zeer lang aan, en het aan de donkerheid
gewende oog neemt daar gemakkelijk en met blijdschap iedere
lichtschemering waar, die door de terugkaatsing in die oorden
verspreid wordt.
J)E BREKING VAN HET LICHT.
310. De wet van de breking des lichts. ^ ^
Proef Aan een plankje (of stuk stijf papier) geve men kjng
eene vierhoekige gedaante en zulk eene breedte dat men het van het
in een drinkglas kan plaatsen, en teekene daarop met potlood ^^^
of rood krijt drie punten o, m en n, die overgang
Fig. 303. naauwkeurig in eene regte lijn liggen. Het J^jnder
drinkglas wordt met water gevuld en het digtlig-
plankje zoo gehouden, dat het tot aan
het punt m indompelt. Het punt «, dat
zich onder water bevindt, zendt lichtstra-
len uit, die in het aan het punt o gehou-
den oog komen. Nam het licht zijn weg
enkel door de lucht of slechts door wa-
ter, dan zou het zich in regtlijnige baan van 7i over 7Ji naar o
bewegen, en het punt n zou zich voor het oog achter /« ver-
toonen. De weg van het licht wordt echter daardoor veranderd,
dat het uit eene doorzigtige stof, het water, in eene andere,
de lucht, komt; bij de oppervlakte van het water verandert
het zijne rigting, en de lichtstraal, die van n naar m gaat, slaat
hier een zoo schuinen weg in, dat hij onder het oog weg gaat.
Daarentegen treft een lichtstraal n r de oppervlakte des waters
in r, neemt hier eene schuinere rigting en komt in de lyn r O
in het oog. Steeds zoekt het oog echter een punt in de rigting
der stralen die het opneemt en ziet daarom het punt n in de
rigting o r op eene hooger gelegene plaats p. De lichtstraal
n r heeft bij de intrede in de lucht zijne rigting veranderd of