Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
527
spraakgeluiden worden de toonen echter eerst door de menig-
vuldige bewegingen der tong, tanden en lippen gevormd 1).
HET LICHT.
228. Lichtgevende ligchamen. De meeste ligchamen zijn Lichten-
op zich zeiven donker en dus niet in staat, de hen omgevende g^® jjjg^
ruimte te verlichten. Daarentegen zijn er ook ligchamen die
van zeiven licht geven, van welke als van eene bron licht uit-
gaat en in ons oog komt. Totdeze lichtbronnen of zelf-
lichtende ligchamen behooren: 1) de zon en de vaste Zonne-
sterren. De vaste oppervlakte der zon is waarschijnlijk don-
ker, gelijk die der aarde; maar zij wordt rondom door een hulsel
van luchtvormige stoffen, door een luchthulsel, omgeven, dat
zijn wit licht in de wereldruimte uitzendt. Ook de meeste vaste
sterren schitteren met wit licht en er is slechts een gering aan-
tal, dat zich met rood of geel licht vertoont. 2) Gloeijende en yiam.
verbrandende ligchamen, gelijk bij de vlammen onzer kaar- men-
sen en lampen, § 252.
Proef ff. De vlam eener spirituslamp verspreidt zoo weinig
licht, dat zij in den zonneschijn naauwelijks waargenomen kan
worden. Maar men neme een dun koper- of ijzerdraad, eene
1) Voor eene meer in bijzonderheden tredende beschrijving van
de organen des gehoors en van de stem, zie lubach, Eerste grond-
beginselen der natuurkunde van den mensch. Gouda, J. B. van
Goor 1855. Ln.