Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
lucht.
522
Fig. 272. Speeltuig bekend is,
trillin- y l^fieft digt bij het
^ ' eene einde eene
groote insnede en
behalve deze verscheidene gaten, die bij het gebruik elk met een
vinger kmmen gesloten worden. Bij het eerste dezer gaten a
zage men de fluit over dwars door en behoude tot de volgende
proeven het stuk O a, hetwelk bij het fluiten in den mond wordt
genomen. Het einde passé men, terwijl men het met een be-
vochtigd strookje papier omwikkelt, in eene glazen buis (chloor-
calciumbuis). Blaast men bij O niet te sterk met den mond,
dan zal men in de meeste gevallen een vollen fluittoon ver-
krijgen.
Eaakt men de glazen buis met de hand aan, terwijl men den
toon opwekt, dan vertoont zij zich niet als een trillend lig-
chaam; er zijn aan de buis der fluit geene trillingen voelbaar,
gelijk aan eene; toongevende snaar of een vlak; ook worden
de toontrillingen niet door aanvatten gestremd, zoo als toch
moest gebeuren, indien de buis zelve zich bewoog. Ook neemt
men tot orgelpijpen eene weinig veêrkrachtige stof,
het tin, dat voor geene zoo snelle trillingen vatbaar is. Einde-
lijk is v;el de klank, maar niet de hoogte van den toon
afhankelijk van de stof, waarvan de pijpen gemaakt zijn ;
klonken de wanden der pijpen zeiven, dan moesten dikke wan-
den, gelijk dikke snaren, een lageren toon geven. Dit is echter
het geval niet, gelijk de volgende proef toont.
Proef b. Men neme een half vel glad papier en roUe het
tot eene buis, om welke men eenen draad bindt; zij hebbe de
lengte der vooraf gebruikte glazen buis, en het houten stuk der
fluit worde er naauw sluitend ingeschoven. Bij het aanblazen
zal men een even hoogen toon verkrijgen als met de glazen buis.
In de buis der fluit is echter niets anders dan dampkrings-
lucht, en er komt bij het blazen ook niets anders in. In ieder
blaasinstrument is eene luchtkolom het trillen-