Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
517
Wet: De toon eener snaar is des te hooger,
hoe dunner, hoe sterker gespannen en
hoe korter zij is.
283. De mededeeling der toontrillingen. De re-
Proef a. Men houde een zakhorologie eerst in de hand
en legge het vervolgens op de tafel. Zijn tikken wordt thans, nu
het met het hout in aanraking is, op den zelfden afstand veel
sterker gehoord.
Proeft. Een draad, van zes a zeven palm lang, wiens
einden vast om papier gewikkeld zijn, houde men vrij tusschen
beide handen gespannen
269. gjj )3).pjigg ]igm daarbij
door aantrekken met den
vinger in toongevende tril-
lingen. De toon zal slechts
zwak zijn. Daarentegen houde men het eene einde van den
draad om eenen kant van het tafelblad en drukke het andere
einde achter een op de tafel liggend staafje neder. De toon zal
thans veel sterker zijn.
Proef«?. Op eene viool stemme men twee naast elkan-
der liggende snaren zoo, dat zij den zelfden toon geven en strijke
de eene daarvan aan. De andere snaar zal mede klinken, en
men zal hare toontrillingen gemakkelijk kunnen waarnemen, wan-
neer men een smal, van boven zamengebogen strookje papier over
het midden der tweede snaar zet. Gelijk hier de trillingen zich
aan de gelijk gestemde snaar mededeelen en ze bewegen,
zoo deelen zij zich ook aan die houtvezels mede, die den zelf-
den toon kunnen geven, en worden, daar deze talrijk zijn,
aanzienlijk versterkt. Terwijl eene snaar alleen slechts een
zwakken toon heeft, geeft het grootere houten blad met zijne
vele medeklinkende vezels een merkelijk sterkeren toon. Het
medetrillen van een ligchaam van grooteren omvang, dat den
toon der oorspronkelijke trillingen versterkt, heet de resonans.