Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
427
Wie de grondproef, in de vorige paragraaf beschreven, met
oplettendheid gedaan heeft, zal zich zeer gemakkelijk een denk-
beeld kunnen vormen van de wijze, waarop in deze laatste proef-
neming de stroomen ontstaan. Even als toen bij het afrukken
des electro-magneets van den staal-magneet en het weder in aan-
raking brengen van beide, wordt de eerste ook hier bij het
draaijen afwisselend magnetisch en niet magnetisch. De daar-
door opgewekte, in rigting tegenovergestelde stroomen loopen
in den geleider, die de beide draadveêren Z en K verbindt, toch
altijd in de zelfde rigting; want bij het voorbijgaan des electro-
magneets langs de polen van den staal-magneet gaan ook te ge-
lijk die beide veêren elk op den tegenovergestelden halfring over.
Zoo gebezigd, is ons electro-magnetisch bewegingtoesteUet-
je een magneto-electrisch werktuig geworden. Men
heeft zulke werktuigen tot geneeskundig gebruik en met magne-
ten van 100 kilogrammen en meer draagkracht vervaardigd,
die stroomen opwekken door het snelle draaijen van den elec-
tro-magneet — hier gewoonlijk inductor genaamd — in kracht
aan die eener galvanische batterij gelijk.
229. Het noorderlicht. In de poolgewesten, waar een
onweder tot de grootste zeldzaamheden behoort, is het verschij-
nen van een noorderlicht zoo menigvuldig, dat bijna iedere
winternacht er door verlicht wordt. Tegen den avond stijgt in
het noorden een dikke nevel op en neemt de gedaante van een
helder schijnenden lichtboog van gele kleur aan, welks einden
de aarde schijnen aan te raken. Stralen en vuurkolommen door-
kruisen den boog, die zich tot aan het zenith uitstrekt; bij
voortduring wisselen zij af zoo wel in lengte als in kleur, en
vertoonen bijzonder het rood van het purper en het groen van
den smaragd, die met de menigvuldigste kleurschakeringen in
elkander vloeijen. Dikwijls verlaten de einden van den lichtboog
de aarde, en aan den hemel vertoont zich een schitterende stra-
lenbundel, de zoogenoemde kroon van het noorderlicht, wier