Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
300
een niet geleider, de lucht. Maar zoo de goudblaadjes van
buiten af geene electriciteit ontvangen en toch electrische ver-
schijnselen getoond hebben, dan moet er in het goudblad, en,
daar alle geleiders volkomen de zelfde verschijnselen aanbieden,
in alle geleiders van natuur electriciteit voor-
handen z ij n. Het zelfde zal van alle ligchamen gelden , om-
dat wij allen door wrijven kunnen electriseren; wanneer Avij een
ligchaam w r ij v e n, brengen wij er toch niets nieuws in, wi]
kunnen ten hoogste wekken , wat er in sluimert, of, zoo als wij
zullen zien, krachten v r ij maken, die er in gebonden liggen.
Het zelfde hebben wij vroeger, 187, gezien bij de magneet-
kracht.
172, Te voorschijn treden der beide electriciteiten
■ van ieder ligchaam bij de verdeeling.
De beide
electrici- .
teilen van
ieder lig- Proef a. Men neme een 12 a 14 dnim lang stnk ijzer-
chaam.
Fig. 177.

of koperdraad, het gemakkelijkst eene niet te dunne brei-
naald, venvarme het middel-
ste gedeelte daarvan boven eene
kaars of eene lamp en bevestige
ze in haar midden aan het ins-
gelijks verwarmde einde eener
pijp lak. Zoo heeft men de naald
van een steel voorzien, waarme-
de men ze geïsoleerd kan
houden; want het is noodig dat
niets van de electriciteit, die, volgens het geopperde vermoeden,
natuurlijk in het metaal voorhanden is, weg kan stroomen, maar
dat deze volkomen openbaar worde. Houdt men nu de naald door
middel van den isolerenden steel aan den ring of knop van den
electroskoop, dan vormen beiden eene enkele geïsoleerde
geleiding; zij werken niet anders dan eene enkele metaal-
massa, die aan de verdeelende kracht van een geëlectriseerd
ligchaam blootgesteld moet worden; de goudblaadjes dienen ons
te gelijk tot het aanwijzen van het al of niet aanwezig zijn en