Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
270
Fig. 154.
Daarop verwarme mnn de naald door
eene er onder geplaatste spirituslamp.
"Weldra zal zij liet ijzer niet meer
kunnen dragen en het loslaten. Hare
magnetische kracht zal door de ver-
warming zoo zeer verminderd zijn,
dat zij ook, nadat zij weder verkoeld
is, op verre na niet meer zoo veel kan
dragen.
HET AARDMAGNETISMUS.
147. Door het aardmagnetismus bewerkte verdee-
Verdee- üng.
hefaard"^ Proef. Eene ijzeren stang, omstreeks eene el lang en ter
magne- dikte van een vinger, laat men in het kolenvuur sterk door-
tismus. giogjjgjj g^ 2eer langzaam weder afkoelen, tenvijl men ze eerst
na het uitgaan van het kolenvuur er uitneemt. Zij wordt hier-
. na horizontaal op eene zachte onderlaag, op papier, stroo of
boomwol gelegd en mag zich in deze ligging op geene plaats
magnetisch toonen. Mogt dit nogtans het geval zijn, dan is
het ijzer niet genoegzaam week geworden en moet nog eens ge-
gloeid worden. Wel is waar kan men ook in plaats der ijzeren
stang een dunner ijzerdraad gebruiken , doch dit moet nog zorg-
vuldiger gegloeid en onderzocht worden. Houdt men nu de ijze-
ren stang in bijna loodregten stand, met het benedeneinde naar
de noordelijke streek der aarde gekeerd, en brengt eerst bij
het laagste punt der stang eene hangende magneetnaald (proef
132 a), dan wordt hare noordpool door dit punt afgestooten;
bij gevolg heeft de laagste plaats der naar de aarde
gerigte stang noordmagnetismus. Brengt men de naald
digt bij het boveneinde der ijzeren staaf, dan toont zich daarin
zuidmagnetismus. Wanneer men verder de ijzeren stang omkeert,