Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
247
Proef r. Tusschen het aan den di-aad hangende stukje ijzer
(proef a) en den magneet brenge men een stukje ijzerblik of
een breed lemmer van een mes zoodanig, dat zij hunne breede
oppervlakten naar den magneet toekeeren. De draad zal eene
loodregte rigting aannemen. Door eene ijzeren plaat, met hare
breede oppervlakten tusschen den magneet en het ijzer gebragt,
wordt de wederzijdsche aantrekking zeer verzwakt.
Proef Een blad papier worde in horizontale ligging
gehouden, en daarop eenig ijzervijzel of dunne naalden ge-
plaatst. Onmiddellijk onder het papier brengt men het eene
einde van den magneet; beweegt men hem langzaam naar de
eene zijde, dan bewegen zich de stukjes ijzer op het papier,
door hem voortgetrokken, in de zelfde rigting.
magneet.
Fig, 134.
130. De polen van den magneet.
Proef a. Misschien heeft men reeds bij de tot hiertoe ge- poien
nomene proeven de opmerking gemaakt, dat geenszins alle van den
plaatsen van een magneet eene even
groote aantrekkingskracht hebben.
Om deze daadzaak naauwkeuriger na
te gaan, bediene men zich van het
hangende stukje ijzer (proef 129 ^7)
en houde den magneet loodregt daar-
naast. Is het boveneinde van den mag-
neet digt genoeg bij het hangende ijzer,
dan wordt de draad van zijne lood-
regte rigting afgeleid. Schuift men
den maimeet in loodrejjte rij^tins: ver-
O a O O
der omhoog, zoodat zijne digter bij het midden gelegene
punten op het ijzer werken, dan wordt de draad minder af-
geleid en toont aan, dat de aantrekkende kracht dezer punten
geringer is. Omtrent in het midden van den magneet bevindt
zich een punt, dat volstrekt geene aantrekking toont, en naast
hetwelk de draad loodregt blijft hangen. J)e verder naar be-