Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
9*
ï'ig. 6. as van den cilinder. Zijn zwaartepunt moet in de
as liggen, omdat de zwaartepunten van al de ronde
schijven daarin liggen, en wel in 't raidden der as;
want slechts hier zal de cilinder, wanneer wij hem
over de snede van een mes gelegd denken, in even-
wigt zijn. Bij een kwadraat of een regelraati-
gen vierhoek vinden wij bij het leggen op eene punt, dat
het zwaartepunt even ver van alle vier hoeken verwijderd is.
Stellen wij ons nu weder vele zulke vierhoeken op elkander ge-
stapeld en ieders zwaartepunt telkens op dat van den voorgaanden
gelegd voor, dan ontstaat er een vierhoekig prisma; het
zwaartepunt ligt ook daarbij midden inde as, dat wil zeggen,
midden in de lijn, die de beide zwaartepunten van het boven-
en ondervlak verbindt. Bij een kogel eindelijk ligt het zwaar-
tepunt in zijn middelpunt, omdat zijne deelen rondom dat punt
gelijkmatig verdeeld zijn en elkander in evenwigt houden. Bij
regelmatige ligchamen ligt alzoo het zwaarte-
punt in hun midden.
e. De verschillende soorten van evenwigt.
Proef a. Met een pennemes snijde men van eene goed Soor-
afgeronde kurk eene ronde schijf, ongeveer
een halven vingerbreed dik, en steke er digt even-
bij den rand eene groote speld of een stuk ij-
zer- of koperdraad dwars doorheen. Het zwaar-
tepunt der schijf ligt thans niet meer in haar middelpunt, maar
in de nabijheid der speld. Men beproeve nu de schijf op haren
kant zoodanig op de tafel te plaatsen, dat de speld zich boven q^^^
bevindt en de schijf evenwel niet omvalt. Het zwaartepunt ligt zeker
alsdan loodregt boven het o n d e r s t e u n i n g s p u n t, het punt
der tafel, waarop de schijf steunt; het heeft de h o og s t e p 1 a a t s,
die het innemen kan, en moet bij de geringste beweging der
schijf dalen. Stoot men derhalve de schijf slechts even met den
vinger aan, dan keert zij niet weder in haren stand terug, maar