Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
2
Lood-aan. De rigting van den draad aan het schietlood noemt men
rig^tfng. loodregte of perpendiculaire rigting.
Ver- Proef h. Terwijl men den draad van het schietlood met
schijn- ggjjg \\md vasthoudt, liffte men met de andere den metalen
selen
van het kogel regt naar boven op en late hem daarop los. Nu ziet men
vallen, jg^ kogel het volgende geschieden, of, wat het zelfde is, men
neemt daaraan het volgende waar: hij verlaat de plaats, tot waar
hij opgeheven was, en valt nederwaarts, zoo ver de draad het
veroorlooft. Daarbij heeft hij zich geheel in de zelfde rigting naar
beneden bewogen, die te voren de gespannen draad aanwees. De
kogel wordt naar de aarde getrokken en toont het streven om
haar te naderen. Om zoo digt mogelijk bij de aarde te komen,
trekt de kogel ook den draad strak en spant hem.
Dergelijke verschijnselen nemen wij in de ons om-
ringende natuur in groot aantal waar. De dakp a n, door een
storm losgerukt, valt op de aarde neder; een naar boven gewor-
pen b a 1 keert tot ons terug; r e g e n d r o p p e 1 e n en sneeuw-
vlokken vallen uit de wolken neer , en geweldige watermassa's
storten van de hoogte eener rots en vormen een waterval.
Kleine stukjes kolen vallen door den rooster van den haard,
het zand op het beschrevene papier, de gemalen koffij
in het laadje van den koffijmolen, en de geraspte suiker
door de gaatjes van de rasp. Vruchten scheuren den tak,
w^aaraan zij in ongewone menigte hangen, van den vruchtboom
en vallen met hem op den grond; de geknakte bloem laat
haar hoofd ter aarde hangen, en de zwakke takken van den
treurwilg zijn niet vermogend om de kracht, die ze naar
beneden trekt, weerstand te bieden. Den in slaap vallenden
courantlezer valt het blad uit de hand , daar deze het niet meer
vasthoudt; de g o r d ij n op het tooneel valt, en de doodkist
zinkt in het donkere graf. Het gewigt aan de klok zakt,
daar het door het uurwerk opgehouden wordt, langzaam, doch
aanhoudend, naar beneden; r o l g o r d ij n e n en landkaarten
worden door de houten stokken, die er zich onderaan bevinden»