Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
156
De artesi-
sche
bronnen.
Fiff. 82 b.
gegoten ijzer onder den gi'ond
tot de hoofdfontein geleid en
springt tot eene hoogte van bijna
40 el. Ook op de Wilhelms-
höhe bij Cassel ontvangt de
fontein het water van een nabij
gelegenen berg, en haar straal
verheft zich omtrent 50 ellen.
d. Artesische bronnen.
De artesische bronnen hebben
^ hunnen naam van het graafschap
A r t O i s in noordelijk frank-
rijk , waar zij het eerst geboord
zijn. Men doorboort op zulke niet
hoog gelegene plaatsen, waar
steenlagen of de diepte van den
waterstand den aanleg van een
gewonen put ongemeen kost-
baar zouden maken, den grond
met eene bergboor en drijft
in het geboorde gat ijzeren pijpen, die 12 ä 14 duim wijd zijn,
en van welke men bij het verder boren telkens de eene op de
andere zet. Bij gelukkigen uitslag treft men ter diepte van
eenige honderd ellen water aan, hetwelk, na het optrekken
der boor, als eene fontein uit de buis springt of ten minste
zoo hoog rijst, dat het gemakkelijk geschept kan worden.
Of het mogelijk is, eene artesische bron aan te leggen, dit
hangt van de gesteldheid der boven elkander liggende aardlagen
af. Er moet zich vooreerst op hoog gelegene plaatsen onmiddellijk
aan - de oppervlakte der aarde eene kiezel- of zandlaag bevin-
den, in welke water indringt; dan moet deze laag zich bene-
den de oppervlakte der aarde nog tot onder de plaats voort-
zetten , waar geboord zal worden, en ten derde moeten boven
en onder deze laag zich lagen van klei, leem of steen uitbrei-