Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
154
tusschen beiden het nivelleerwerktiiig opgezet. Men ziet over
de beide waterspiegels in de armen der buis naar de nivelleer-
lat no. I, en geeft aan een aldaar staanden helper met de hand
afgesprokene teekens, of hij een zwart en wit geverwd bordje,
dat aan de lat verschoven kan worden, hooger of lager moet
zetten , totdat het midden van het bordje met de horizontale
lijn, die het werktuig aanwijst, in de zelfde rigting ligt. Vol-
gens de teekening treft de horizontale lijn de eerste nivelleer-
lat op eene hoogte van 4 der daar aangeduide afdeelingen, elk
van 3 palmen. Daarop begeeft de helper zich naar de nivelleer-
lat no. 3 en merkt uit de door den waarnemer gegevene teekens,
dat hij de beweegbare schijf aan de lat op de eerste afdeeling,
dus op drie palmen hoog moet zetten. De grond bij het punt I
jigt diensvolgens 13 palmen, bij het punt II slechts 3 palmen
onder de door het nivelleerwerktuig aangeduide horizontale lijn,
en daaruit volgt, dat de grond bij het eerste 9 palmen lager
ligt dan bij het tweede punt, of dat deze op de tusschen beiden
gelegene streek eene klimming van 9 palmen heeft.
Wateilei- h^ Waterleidingen. Uit de wet voor communicerende bui-
dingen. ^^^ volgt, dat het water zich door buizen tot iedere plaats
laat heenleiden, die niet hooger ligt dan de bron of het
bekken, waaruit het water vloeit. Van eene hoogte, op welke
toereikend bronwater voorhanden is, of uit eenen hoog ge-
plaatsten vergaarbak, waarin dit door eene stoommachine ge-
bragt wordt, zoo als dit voor de Amsterdamsche duinwaterlei-
ding geschiedt, begint men de buisleiding, die gewoonlijk in
den grond gelegd wordt, en kan ze in dalen benedenwaarts en
over hoogten heenvoeren, indien het hoogste punt daarvan slechts
lager ligt dan de bron. De buizen, die diep in een dal liggen,
geeft men dikkere wanden, dewijl zij eene hoogere waterkolom
te dragen en dus eene grootere drukking uit te houden heb-
ben. Uit de door eene stad gelegde hoofdleidingsbuis laten zich
kleinere pijpen in de verschillende verdiepingen der huizen lei-
den en hier door kranen naar welgevallen openen of sluiten.