Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
133
Maar de beweging der veêr en der trommel is geheel onre-
gelmatig en kan derhalve op zich zelve aan het uurwerk geene
regelmatige beweging mededeelen. Is de veêr sterk gespannen,
dan heeft zij eene sterke neiging om zich uit te zetten en werkt
met grooter kracht; hoe meer zij zich uitzet en hoe meer hare
spanning afneemt, des te meer vermindert hare bewegende kracht.
Men brengt derhalve, om de beweging eenigermate te regelen,
de werking der veêr en trommel vooreerst op de snek over,
die op de regter zijde der teekening voorgesteld is, terwijl zich
ter linker zijde de trommel be-
' vindt. De snek is een koperen
kegel, onder van grooteren om-
vang dan boven, met eenen gang,
die als hellend vlak schroefvor-
mig oploopt, en laat zich om ha-
Te as draaijen. Onder aan de snek
is een fijne stalen ketting bevestigd; het andere einde daar-
van zit boven aan de trommel vast. Van boven heeft de as der
snek een vierkant pennetje, waarop de horologiesleutel past;
door het omdraaijen daarvan bij het opwinden van het ho-
rologie wordt de ketting van de trommel af en op de snek ge-
wonden. Te gelijk heeft zich de trommel moeten omdraaijen,
en de veêr is daardoor gespannen geworden. Terwijl zij zich
weder uitzet en de trommel omdraait, brengt zij door middel
van den ketting ook de snek in beweging. Eerst werkt zij met
volle kracht aan de bovenste kleinere windingen van den ketting
en arbeidt zoo eerst aan een kleiner windas, dat eene grootere
kracht noodig maakt. Heeft vervolgens de zich draaijende trom-
mel zich met een gedeelte van den ketting omwonden, en is
daarbij de kracht der veêr afgenomen, dan trekt zij aan de on-
derste grootere windingen van den ketting, die, als een langere
hefboomsarm, tot het draaijen geringer kracht vereischen. Hoe
zwakker de veerkracht wordt, aan een des te grooter windas
heeft zij te arbeiden.