Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
98
Fig. 49.
Kegel-
vormige
raderen.
komt het er bij de voortleiding der bewe-
ging niet zelden ook op aan, om de hori-
zontale radbeweging in eene loodregte
radbeweging te veranderen, dat wil zeg-
gen , door eene staande spil
eene liggende te bewegen, of
omgekeerd. Tot zulk eene verandering van de rigting der beweging
dienen vooreerst de kroonraderen, wier tanden loodregt op
het vlak van het rad staan en met de as der spil even-
wijdig zijn. De regtop staande spil grijpt met de tanden, die
den kam voorstellen, in het rondsel eener liggende spil.
Fig. 50 a. Nog menigvuldiger bedient men zich
tegenwoordig met het zelfde oogmerk
van de konische of kegelvor-
mige raderen, wier tanden op den
rand van het rad liggen en naar de
as der spil schuin oploopen.
Steeds grijpen twee konische raderen
in elkander. Zij hebben het voordeel
dat de eene spil ook schuins liggen kan,
en zijn zeer duurzaam.
Koren- ^^ molens, wier arbeid inde verbrijzeling van het ko-
molens. ren bestaat, moet de beweging van het krachtwerktuig zoo op
het arbeidswerktuig (§ 45), op den molensteen, o vergebragt
worden, dat diens snelheid toereikend groot wordt. Deze voort-
leiding en verandering der beweging wordt door getande rade-
ren verkregen. De spil van het waterrad (§ 97) draait een groot
konisch rad, dat aan een kleiner, 't welk zich aan de loodregte
spil D bevindt, zijne beweging mededeelt. Het groote kroon-
rad E, dat te gelijk met deze spil omloopt, heeft twee maal-
gangen in beweging te brengen, van welke die ter linkerzijde
uitwendig voorgesteld is, terwijl die ter regter zijde de inwen-
dige inrigting vertoont. Aan de spillen, welke de molensteenen
omdraaijen, kunnen de rondsels C enG verschoven en zoo