Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
wier tegenovergestelde eindopening meer binnenwaarts in de
cel gevonden wordt en wier lengte des te grooter is, hoe
meer verdikkingslagen er gevormd zijn, terwijl hunne breedte
afhangt van den omvang der door de verdikkingslagen on-
bekleed geblevene plekken van den celwand. Men noemt ze
dan ook ,,stippel k a n a 1 e n." Het verdient zeer de aandacht,
dat daar, waar stippelcellen nevens elkander liggen, ook
hare stippelkanalen aan elkander grenzen, zoodat deze zich
nagenoeg voordoen als trechtertjes, welke met de wijdste
opening onderling vereenigd zijn en waartusschen alleen de
onverdikte plekken van den wand der cellen, waartoe ieder
op zich zelf behoort, eene scheiding vormt. Deze plaatsing
der stippelkanalen is daarom van zoo veel belang, omdat
tot de instandhouding van het leven der planten o. a. de
overgang van vocht uit de eene in de andere cel noodig is.
Door sterk verdikte wanden zou dit nu niet kunnen heen-
dringen, ware het niet, dat er onverdikte gedeelten open-
bleven, waardoor de gemeenschap tusschen den vloeibaren
inhoud van aan elkander grenzende cellen mogelijk werd
gemaakt, en zulke onverdikte gedeelten zijn juist de stippel-
kanalen.
Vroeger meende men, dat de stippels ware openingen of
poriën in den buitensten wand waren; van die meening is
men thans teruggekomen. Intusschen is het toch mogelijk,
dat er ware openingen in celwanden ontstaan, zoo als name-
lijk bij die cellen geschiedt, welke wij later zullen leeren
kennen als den oorsprong gevende aan de zoogenaamde
,,vaten"; alsmede bij twee bladmossen: gaffeltan d (*) en
veenmos (t). Hierbij verdwijnen namelijk enkele plekken
van den celwand, waardoor op die plaatsen gaatjes gevormd
worden.
In den beginne bestaan de verdikkingslagen uit min of
zich niet hebben afgezet; dit z^jn derhalve de stifpellianalen. Men zal deze ook
kunnen waarnemen in doorsneden uit de harde schaal, die de pitjes (zaden) van velo
vruchten omgeeft, zoo als van kersen {Prünut Cératus)^ perziken {i'énica vuljdn»)^
abrikozen {Prunus drmen{aca)^ pruimen {Prünus doméslica), enz.; uit de steel van
peren (/VrwicomTOiirtM), appelen {Pyrvs enz.; uit den harden (op den buitensten
volgenden) bolster van kokosnoten (Cócos nuei/eray, uit de zelfstandigheid van do
bii de draayers welbekende ivoornoten iPliytélephas mdcrocdrpa), van dc kernen der
dadels (P/ioénix ddctylifera), enz.
(*) Dicrdnum. (t) f^phagnvrn.