Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
57
Ook in natunrlijken tocstanfi neemt de cel gewoonlijk nog
in omvang toe; zij groeit namelijk nog eenigen tijd voort,
o. a. blijkbaar in bare meerdere grootte. Daarnevens echter
heeft in den regel ook nog eene toename in dikte van den
wand plaats. Tegen de binnenzijde van den eerstgenoemden
celwand zetten zich namelijk nog nieuwe cellulose-lagen aan,
waardoor soms ten laatste de cel geheel gevuld kan worden.
Men noemt deze nieuwe aanzetsels: deverdikkings-lagen.
Stel eens, dat gij eenen hollen, ongekleurden, doorschijnen-
den glazen bol bezat, met eene doorschijnende vloeistof gevuld,
en dat die vloeistof op de plaats, waar zij met de bin-
nenzijde van den bol in aanraking is, tot een glazen be-
kleedsel of liever tot een glazen voering stolt en dat dit-
zelfde meermalen achtereen geschiedt, zoodat zich een aantal
gestolde glaslagen aan die binnenzijde vasthechten. Heeft nu
de stolling en mitsdien de vasthechting op alle plekjes gelijkelijk
plaats, dan zou de bol, wanneer men er van buiten doorheen
ziet, welligt meer of minder in doorschijnendheid verloren
hebben, doch, van welke zijde ook beschouwd, zou zich de
buitenwand overal gaaf en effen voordoen. Geschiedt dit
echter niet overal op dezelfde wijze, en wel zóó, dat de
eerst gevormde laag zich slechts als een spirale band of als
een hier en daar door openingen of gaatjes afgebroken be-
kleedsel vasthecht, en doen dit nu de volgende lagen ook, zich
volkomen tegen de eerste aanleggende, in denzelfden vorm en
dezelfde openingen onbekleed latende, dan zal ten laatste, wanneer
men nu door den bol heenziet, zijne oppervlakte — in weerwil
van den volkomen gaven buitensten wand — het aanzien verkrij-
gen, als ware zij met gaatjes doorboord, of, in de rigting van
een spiraal, afwisselend mat en doorschijnend. Op de mattere
plekken namelijk heeft alleen de afzetting der lagen plaats
gehad; de doorschijnende zijn onbekleed gebleven.
Iets soortgelijks nu geschiedt bij de verdikking van
den celwand. Aan zijne binnenvlakte wordt laagsgewijs een
grooter of geringer aantal vliezen afgezet, soms — hoewel
betrekkelijk zeldzaam — volkomen gelijkmatig en onafgebro-
ken op alle plekken; meestal echter dunnere of geheel onbe-
kleede plaatsen openlatende. In het laatste geval vertoont
nu de celwand, wanneer b. v. de elkander opvolgende vliezen