Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
45
Do kleurstoffen komen in de plantendeelen voor óï
als kleurlooze vloeistoffen, waarin zich gekleurde ligchaampjes
bevinden, óf als gekleurde vloeistoffen, óf eindelijk als kleur-
looze stoffen, die eerst onder den invloed der dampkrings-
lucht gekleurd worden (b. v. indigo). liene witte kleurstof
kent men niet; de witte kleur hangt namelijk af van lucht
in de aldus gekleurde plantendeelen (zoo is b. v. ook eene
massa gestampt ongekleurd glas wit van kleur). Behalve
deze witte kleur, komen nog een 7-tal andere als hoofd-
kleuren in het plantenrijk voor : grijs, bruin, geel, groen,
blaauw, rood en zwart. Door allerlei oorzaken, zoo als
meerdere of mindere dikte der plantendeelen, meer of min-
der oppervlakkige ligging der kleurstof, uitwendige bekleed-
sels, enz. ontstaan eene menigte schakeringen van de zoo
ovengenoemde 8 kleuren, welke men op eene hoeveelheid
van 80—90 schatten kan.
Er zijn verschillende kleurstoffen, die 'zoowel in water, als
in alkohol oplosbaar zijn ; men kan ze daarom door beiden
uit de planten uittrekken en noemt ze om die reden: ex-
tractieve kleurstoffen. Andere zijn weinig of in 't geheel
niet in koud water oplosbaar, daarentegen gemakkelijk in
alkohol, aether en andere vloeistoffen; daar zij in dit opzigt op
harsen gelijken, heeft men ze harsachtige kleurstoffen ge-
noemd. Tot de eerste behooren o. a. die uit den rhabarberwor-
tel, uit saffraan, verwers-weede, campèchehout, verschillende
blaauwe besvruchten, enz. Tot de laatste die uit den orlean-
boom, de curcuma, de meekrap, den drakenbloedboom, enz.
cn O. a. die kleurstof, welke het meest verspreid en ook
het meest bekend is, namelijk de groene, welke bladgroen
(chlorophyl of phytochlor '*)) genoemd wordt, omdat zij voor-
namelijk in de bladen voorkomt.
Het blijkt (wanneer men een groengekleurd doorschijnend
plantendeel door het mikroskoop beschouwt) uit groene korrels
te bestaan, die óf vrij, óf onderling tot klompjes vereenigd
ronddrijven; de wanden echter van die deelen, waarin het
bevat is, zijn zelve niet groen gekleurd. AVel vindt men het
in enkele wieren, in den vorm van een platten, aan de ran-
(*) •Cliloropliyllon" is uit twee grieksche woorden zamengesteld, beteekenende:
• groen" cn iblad," ■Phytochlor" evenzoo uit twee woorden: iplant" en ■groen."