Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
38
c Q
OP %
arrowroot, revalonta, enz. zijn allen meer of minder zuivere
zetmeelsoorten. In den regel komt het als kleine (door het
^ mikroskoop waarneem-
bare) korreltjes of lig-
chaampjes van een be-
paalden vorm voor; in
! andere gevallen bezit hel
eenen minder bestendi-
gen vorm. De onder-
scheidene gedaanten der
38. Zetmeel van Gerst, zetmeelkorrelszijninver- 2emeöl van Haver.
schillende planten rondachtig, ei-, lens-, staaf-, peer- of beker-
vormig, drie- of meerhoekig, schelpvormig, enz. Naar gelang
van hunnen vorm, in verband met hunne wijze van ontstaan
en andere eigenaardigheden, verdeelt men de zetmeelkorrels
in; enkelvoudige, half- en geheel zamengestelde. Die, welke,
zoo als b. V. bij de haver (zie fig. 39), door aanraking zamen-
hangen, zijn onecht-zaraengestelde,
De grootte der zetmeelkorrels wisselt af tusschen Viooo
18^1000 streep. Zij zijn kleurloos en doorschijnend; zij hebben
echter allen de eigenschap, om door eene jodium-oplossing,
bij aanwezigheid van water, van donker-zwart tot indigo-
blaauw of, zoo er te weinig van de oplossing gebruikt is,
paars of wijnrood gekleurd te worden. Brengt men dus
b. V. eene fijne doorsnede uit een aardappel, met een drop-
pel water bevochtigd, onder het mikroskoop en voegt men
er dan een droppel der jodium-oplossing bij, dan zal men
al de zetmeelkorrels zoodanige blaauwe kleur zien aannemen,
welke daardoor ontstaat, dat het jodium zich met het zetmeel
tot eene nieuwe stof vereenigt. Bij verwarming wordt deze
stof weder ontbonden en verdwijnt dan ook de blaauwe
kleur.
Elke zetmeelkorrel is een mengsel van granulöse en
cellulose, in verhoudingen, welke bij de zetmeetkorrels
van bepaalde planten zeer verschillen. De blaauwe kleurs-
38. Veel kleiner dan tarwe •zctineclkorreltjes; met scherper randen voorzien ; meer-
malen ook met cirkelronde of overlangsche strepen.
30. Alle korreltjes zijn nagenoeg even groot, veellfoekig, met een dikken rand en
in het midden een groefje; niet zelden in klompjes zamenhangende, die dan een
netvormig aanzien vertoonen.