Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
d« stengels vau schaafstroo of equisetum). Van sommige hoo-
rnen is de schors zoo rijk aan kiezelaarde, dat men uit de asch
daarvan, met klei vermengd, allerlei vaatwerk kan vervaar-
digen, en vele zeer harde houtsoorten zijn hare hardheid aan
daarin voorhandene kiezelaarde verschuldigd. Eenige zeer
eenvoudige plantjes eindelijk zijn er bijna geheel alleen
uit zamengesteld (b. v. de Bacillariën onder de eencellige
wieren).
Wanneer men eene dunne doorsnede van sommige plan-
tendeelen door het mikroskoop'beschouwt, dan ziet men niet
zelden kleinere of grootere ligchamen, met bestendigen re-
gelmatigen vorm, welke gewoonlijk
kalkverbindingen zijn. Zoodanige
ligchamen (die soms de grootte van
een zandkorrel kunnen bereiken)
worden „kristallen" geheeten. Met
name zijn die gewassen, welke men,
om hunne vleezigheid, vetplanten
pleegt te noemen, zoo als: aloë's,
cactussen, enz. er zeer rijkelijk van
voorzien, ofschoon men ze soms
ook elders aantreft.
liet is O. a. daarom van belang de
anorganische bestanddeelen, welke
in bepaalde planten voorkomen, te
kennen, wijl b. v. alle gewassen,
die men kweekt of ver-
bouwt, niet welig tieren
kunnen, wanneer niet de
bodem ook van die anor-
ganische stoffen voorzien
is, welke men in de goed
ontwikkelde plant in denzelfden of gewijzigden toestand
pleegt aan te treffen, In het vervolg van dit werkje zal nog
gelegenheid zijn, hierop nader terug te komen.
Ï7—30 i'un geïsoleerde kristallen. In 31 zijn twee afzonderlijke niialdvormlKe
kristallen voorgesteld uit den bundel, die in 32 is afgebeeld; zulke bundels noemde
men: raphiden. Ook 33—35 stellen groepen van tot zoogenaamde kristalklieren ver-
ccnigde kristallcljes voor.
3*