Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
385
lijnen at' te bakenen. De erkenning dier toestanden berust
meer op zekere algemeene indrukken, dan wel op eene be-
vinding, als gevolg van onderzoek naar vaste regels. Zelfs is
men er aan gewend geraakt, om veel, wat in strengen zin ver-
dienen zoude als een ongewoon verschijnsel beschouwd te wor-
den, bij den dagelijkschen omgang met planten, als haren regel-
matigen levens-toestand op te vatten. Dikwijls bepaalt zich iets
zoo ongewoons slechts tot één enkel deel (b. v. den wortel alléén),
zonder den verderen groei der plant eenigzins in den weg te
staan; niet zelden daarentegen blijven (b. v. bij bloemdeelen)
vele, anders nimmer ontbrekende verschijnselen (b. v. die tot
de vermeerdering langs natuurlijken weg behooren,) geheel
achterwege, — en niettemin wordt daarbij veelal niet gedacht
aan het bestaan van iets ziekelijks bij zulke planten. Men zou
haast zoggen, dat er in het gewone taalgebruik zekere over-
eenkomst getroffen is omtrent hetgeen men gezondheid, afwij-
king van den gezonden staat en ziekte eener plant noemen wil.
Een naauwkeurig en scherp uordeelende plantkundige erkent
echter veel eerder dan een oningewijde een verschijnsel van
ziekelijkheid bij eene plant of hare deelen, daar hij tot maat-
staf van zijn onderzoek datgene bezigt, wat in den regel bij
daarmede overeenkomstige planten of plantendeelen, in den
vrijen, oorspronkelijken toestand daarvan, wordt waargeno-
men. Iets, wat men, volgens de gewone spreekwijze, eene
»afwijking," zou noemen, is zoo voor hem niet zelden een
mindere graad van ziekelijkheid, niet zoo diep namelijk in-
grijpende, dat daardoor de dood eener plant bespoedigd wordt.
Wat anderen eindelijk »ziekte" noemen, is dikwijls voor hem
slechts een of meer verschijnselen, welke aan de ziekelijkheid,
d. i. het ziek-zijn van eene plant of hare deelen voorafgaan,
daarbij behooren of wel daarop volgen. Hij oordeelt, dat
eene plant of een deel daarvan eerst dan in eenen hoogeren
graad van ziekelijkheid verkeert, wanneer die plant of dat
deel verschijnselen vertoont, welke eene ernstige stoornis in
de meer gewone opeenvolging van de anders daaraan eigene
levens-verschijnselen aanduiden, zoodat de wijze van bestaan
van die plant of dat deel daardoor geheel veranderd blijkt
te zijn en o. a. de duur daarvan gevaar loopt in een korter
tijdsbestek dan gewoonlijk te eindigen.
25