Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
371
behouden en zoo spoedig doenlijk verlangt
tot stand te brengen, volgt men den door
de natuur voorge-
schreven weg en
bedient men zich
daarbij vooral van
knoppen of van
deelenj welke tot
spoedige ontwik-
keling van knop-
pen of bij wortels
geschikt zijn. De
ervaring, geleid
door de weten- SuDsttnatig? veraeerderine.
schap, heeft bereids voor de kunstmatige vermeerdering en
zoogenaamde veredeling der planten, welke bewerkingen in 't
bijzonder op het gebied van tuin- en boschbouw te huis be-
hooren, de beste uitkomsten opgeleverd.
naam van afleggen, stekken, enten (oculeren, griffelen of afzuigen)
en copuleren in zwang (z. b. bl. 197). — Bij het afleggen worden takken van
eene plant tot op den grond neêrgebogcn, bevestigd en met aarde bedekt (o); na de
bijwortelvorming worden zij als zelfstandige planten van de moederplant afgescheiden.
Die .vortelvorming wordt door allerlei kunstgrepen bevorderd, ten doel hebbende
het verbruik der voedingstoffen in het hoogere stengelgedeelte zoo veel mogelijk te
beperken, door b.v. eene insnijding in den tak te maken, doorgaande tot op het
merg (i), door eene ringvormige insnijding, eene araadomwinding, het splijten van
den tak en het tusschenschuivên van een wig (c), door hem eenvoudig te knikken
of te draaijen, enz. — Zijn de takken niet vooï nrderbuiging vatbaar, dan kan men
er, na ze te hebben Ingesneden, eenen met aarde en mos gevulden en goed vochtig te
houden pot om bevestigen {d), welke aan de eene zijde eene overlangsche spleet be-
zit (f) of uit twee helften bestaat en van gaatjes is voorzien (gg), om hem te
kunnen vastbinden, enz. — Bij het stekken gebruikt men of bladlooze, knopdragende
takken, of bebladerde takken of bladachtige deelen (z. b. bl. 120 en 204), welke in
eenen voor hunnen verderen groei geschikten bodem worden overgebragt.
460. Bij het oculeren wordt een knop op den tak of stam eener andere plant
ingehecht. In den laatsten wordt eerst eene dwarse en overlangsclje doorsnede ge-
maakt (6), om daarin den knop, waaraan nog een gedeelte van de daarbij behoorende
schors en bladsteel moet vereenigd blijven (c), te bevestigen. — Bij het griffelen
plaatst men op onderscheidene wijzen, b.v. in het schorsgedeelte eener dwars gekliefde
plant (a) eenen benedenwaarts wigvormig gesneden tak met eenige knoppen.
461. Zoo kan men ook de insnyding dieper dan het schorsgedeelte en wel tot in
het jonge hout maken en hiermede den van knoppen voorzienen en wigvormig afge-
sneden tak, onder naauwkeurige aanraking der snijvlakten, verbinden (B). — Bij het
afzuigen vereenigt men twee tot aan het splint ontbloote takken van nog in den
grond bevestigde planten te zamen; terwyl eindelijk bij het copuleren (A) zoowel
de stam, als de daarop te plaatsen knopdragende tak schuin afgesneden en met de
overeenkomstige streken zeer naau.vkeurig te zamen verbonden worden.
24*