Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
366
cellen en ten andere door het ontwijken van stoffen, met name in
gas- of dampvorm, aan de oppervlakte der planten. Dit blijkt o. a.
na den bij ons jaarlijks voorkomenden uiterlijken winterstilstand
in den groei, vooral van heesters en boomen. In de lente
namelijk vereischt de ontwikkeling der knoppen, welke vóór
dien stilstand gevormd werden, veel bouwstoffen; de cellen
in hunne nabijheid zijn bereids met zekeren voorraad gevuld,
waardoor zij (wegens de meerdere digtheid van dien inhoud)
zeer geschikt worden tot opname eener dunnere vloeistof;
die voorraad wordt echter zeer spoedig verbruikt en daarbij
belangrijk in scheikundigen aard gewijzigd; dien ten gevolge
ontstaat er ruimte tot opname van nieuwe voedingstoffen en
ontplooijen zich nu vftn lieverlede de bladeren; hieruit ont-
wijken zeer veel waterdamp en andere produkten van schei-
kundige werkingen (onder licht-invloed zuurstofgas, in het
donker koolzuurgas, enz.), hetgeen niet alleen het indringen
van nieuwe voedingstoffen, maar bovendien de kracht en
snelheid der sapbeweging aanmerkelijk bevordert. Deze kun-
nen zulk eenen graad bereiken, dat b. v. het voorjaarssap
droppelsgewijs uit snijvlakten in stam of takken te voorschijn
dringt («bloeden", »tranen" van berk, ahorn, wijnstok, enz.).
Zijn de takken, bladeren, enz. volledig ontwikkeld, dan ver-
mindert de toestrooming van sap en wordt nu geëvenredigd
aan de mate van wat er verbruikt wordt en van hetgeen door
de oppervlakte weder verdwijnt. In lateren tijd (bij ons omstreeks
Augustus) vernieuwt zich bij de vorming van nieuwe knoppen
een dergelijke of eenigzins zwakkere aandrang van sap als
in de lente (*) en bij het naderen der herfst wordt o. a. bij
het afvallen der bladeren — de voornaamste deelen voor de
ontwijking van gassen en dampen, — de stroom steeds lang-
zamer ; de sappen in de weefsels verdikken zich meerendeels;
aaneengehechte deelen raken los, vallen af, en de plant, voor
zoo ver zij bestemd is over te blijven, gaat haren zoogenaam-
den winterslaap te gemoet.
(•) Bij aldus in het voorjaar en den nazomer versterkten aandrang dringt niet
zelden een gedeelte van het vocht door de vaatwanden. Dit gaf tot de verkeerde
meening aanleiding, dat ook in de vaten altijd het sap zou opklimmen. Slechts in
zeer jeugdigen toestand, zoolang zij nog uit vaatcellen bestaan, verleenen zij doortogt
aan den sapstroom. B\) niet te grooten toevoer zijn volwassene vaten altyd met lucht
gevuld.