Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
362
Langs welke wegen verspreiden zich de voe-
dingstoffen in de planten? Met andere woorden: In
welke rigtingen geschiedt de sapbeweging (z. b. bl. 341 en
343)? immers van de rigting der gassen of waterdamp, op
zich zeiven, weet men nagenoeg niets. In 't bijzonder hebben
wij dus hierbij het water met het daarin opgeloste op het
oog, hetgeen in de oppervlakkig gelegene cellen, dus met name
in de nabij de wortelspitsen gelegene en in de wortelharen,
is ingetreden.
Bij de uit zeer gelijkvormig weefsel gebouwde planten
kan er van geen eigenlijk bepaalde rigting der sapbewe-
ging sprake zijn. Worden b. v. zwammen, enz. oppervlakkig
met water doordrongen, dan verspi*eidt zich dit (vooral door
zoogenaamde haarbuisjes-werking of capillariteit, waarvan
men in werken over natuurkunde [physica] de beschrijving
kan vinden,) op dezelfde wijze, als b. v. vocht in vloeipapier,
in een lampenkousje, enz. meer of minder gelijkmatig en snel
door het geheel.
Omtrent hare rigting in planten en plantendeelen, welke
steeds onder water groeijen, is evenmin iets zekers bekend.
liet meeste is dienaangaande bij de landplanten onderzocht,
hoewel niet alle plantkundigen dezelfde meeningen daarom-
trent zijn toegedaan. De naaste oorzaken, die tot den over-
gang van den inhoud van eene cel in eene andere aanleiding
geven, zijn reeds vroeger vermeld (z. b. bl. 341). Waar aan
de inrigting en toestand der weefsels die oorzaken gebon-
den zijn, moet dus sapbeweging bestaan. Waar die oorzaken
in hetzelfde of in verschillende zamenhangende weefsels in de
ruimste mate aanwezig zijn, bereiken de kracht en snelheid
der sapbeweging den hoogsten graad. Waar de planten zoo
gebouwd zijn, dat zulke weefsels bepaalde duidelijk begrensde
plaatsen innemen, daar openbaart zich de hoofdrigting van
den stroom. Met name bakenen in de eerste plaats de reeds
bij vele spore-planten optredende strengen van teeltweefsel en
dat bij alle niet groen gekleurde planten en plantendeelen, bestendig, zoowel
onder den invloed als bij afwezigheid van licht, zoo lang de bouw der oppervlakkig
gelegene cellen dit mogelijk maakt, zuurstofgas uit de dampkringslucht intreedt en
koolzuurgas ontwijkt. — Dit geeft dus veel grond tot het trouwens reeds door on-
derzoek bevestigde vermoeden, dat de aard der in- en uittredende gassen in verband
kan staan met de vorming en veranderingen der groene kleurstof (z. b. bl. 46).