Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
361
hetgeen langs dezelfde wegen als de zoo even beschrevene
geschiedt. Daar de pkintencellen echter geene werkelooze vlie-
zen zijn, maar zoowel haur inhoud als hare^ wanden, zoo lang
deze nog het vermogen tot doorlating van stoffen bezitten, in
eenen voortdurenden staat van chemische en physische ver-
andering verkeeren; wijl bovendien de oppervlakkig gele-
gene cellen aan hare binnenzijde door andere begrensd zijn,
met wier inhoud zij evenzeer in gestadige wisseling ver-
keeren; wijl voorts de ingetredene stoffen allerlei wijzigin-
gen ondergaan en grootendeels ten laatste eene plaats als
bouwstoffen van de cellen cn dus van de planten zeiven
gaan innemen, enz., is het uittredende, wat de hoeveelheid
daarvan betreft, niet geevenredigd aan het ingetredene en
is de aard daarvan, zoo als trouwens bereids uit de oor-
zaak van het verschijnsel zelf volgt, dikwerf geheel ver-
schillend.
Wat uit de planten ontwijkt, dus uitgescheiden wordt,
zelfs ook wat binnen in de plant wordt afgescheiden
(z. b. bl. 338 en 341), is óf het overtollige, onverbruikte van
het tot hare cellen behoord hebbende of van het daarin in-
getredene, óf afkomstig van het daarin door scheikundige
verandering nieuw gevormde. Wanneer het dus b. v. geble-
ken is, dat nevens de gassen, welke onder den invloed van
het zonliclit in de groengekleurde déelen, met name dus
in de loofbladeren cn jeugdige stengels, intreden (z. b. bl. 354),
andere ontwijken, (zoodat daaruit des daags zuurstofgas en
des nachts koolzuurgas ontsnappen,) dan mag daarom de oor-
sprong van het in- en uittredende nog niet als regtstreeks
van elkander afhankelijk gesteld worden (*).
(*) Vroeger nam men b. v. algemeen aan, dat het des daags ontwijkende zuurstofgas
afkomstig was van het alsdan ingedrongene koolzuurgas, hetgeen namelijk binnen in
de plant in zijne elementen, koolstof en zuurstof, zoude ontleed worden en aldaar het
eerste zou achterlaten, zoodat het tweede weder ontsnappen kon. Tegenwoordig achten
velen het waarschijnlijker, dat het uittredende zuur.<itofgas afkomstig is van het door
de wortels ingetredene water, hetwelk in de plant in zijne grondstoffen zou ontleej
worden, waarvan het waterstofgas zich dan met de elementen van het door de groene
deelen ingetredene koolzuurgas (tot koolwaterstofgas en water) zou verbinden en het
zuurstofgas vrij ontsnappen kan. Het des nachts ontwijkende koolzuurgas zou dat
gedeelte zijn van het met het water in de wortels ingetredene koolzuurgas, hetgeen
niet in de vloeistoffen in de plant kon opgelost blijven. In allen gevalle heer>cht te
dien opzigte nog de grootste onzekerheid. Van kiemende zaden weet men o. a,, dat
zij zuurstofgas uit de lucht opnemen en hieraan veel koolzuurgas afstaan. Zoo ook