Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
356
hoe de bebouwing van uitgestrekte plekken gronds, voorna-
melijk met hoog opschietende gewassen, of wel anderzijds hoe
de uitroeijing b. v. van geheele bosschen den vroeger daar
bestaanden gemiddelden vochtigheidsgraad van de dampkrings-
lucht, evenzeer als de rigting harer stroomen, enz. belangrijk
wijzigde. Dit blijft evenmin zonder invloed op het klimaat, als
omgekeerd het klimaat van eiken streek eenen gewigtigen
invloed uitoefent op de daar groeijende gewassen. Ilct ver-
schil der klimaten is o. a. vooral afhankelijk van de ongelijke
verdeeling der warmte op de verschillende plaatsen van den
aardbol, terwijl voorts ook die ongelijke verdeeling op de-
zelfde plaats in de verschillende tijden van het jaar de schei-
ding in jaargetijden bepaalt. Spreekt men dus van «keerkringsge-
was.sen", van n voorjaars-", zomer-", » herfstplanten", enz., dan
bedoelt men daarmede planten, welke in haren oorspronkelijken
staat alleen onder de luchtgesteldheid van den keerkring, of bij
ons onder die van de lente, zomer, herfst, enz. kunnen tieren.
Kunstmatig kan men bij sommige gewassen daarin meer of
minder in 't oog loopende veranderingen te weeg brengeji; —
zoo veel is echter zeker, dat elke plantsoort voor haren was-
dom aan bepaalde klimatische voorwaarden gebonden is, die
voor de eene ruinjgre uitbreiding gedoogen dan voor de andere,
doch nimmer de overschrijding van zekere vaste grenzen toelaten.
De hoofdbron der warmte is de zon; de drager of voort-
plantende middelstof der warmte is vooral de dampkrings-
lucht ; de aarde en wat daarop is geleiden die warmte
voort, nemen haar op of kaatsen haar terug. De planten
ondervinden den invloed der warmte zoozeer, dat men veilig aan-
nemen kan, dat ook zij eene hoofdrol speelt bij de verspreiding
der gewassen op de onderscheidene plaatsen der aarde. De
naaste regtstreeksche werking der warmte op de planten kan
geacht worden gelegen te zijn in het opwekken van schei-
kundige processen, welke zonder eenen bepaalden warmtegraad
niet tot stand zouden kunnen komen. Daarom is niet alleen
de graad der warmte, maar ook haar duur in zeker tijdver-
loop voor den groei der planten van gewigt. Omringt eene
sterk verwarmde drooge lucht de planten, dan is zij daardoor
ook des te meer geschikt, om den waterdamp op te nemen,
welke door het oppervlakkigst gelegene weefsel daarvan ont.