Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
354
nomen zijn, om dän met het hierin voorhandene water in de
planten te kunnen intreden. Onder de eersten zijn het vooral
— onder medewerking van het zonlicht — het koolzuurgas,
en — bij gemis daarvan, dus o. a. des nachts, — het zuur-
stofgas, welke als de voornaamste voedingstoffen vermelding
verdienen. Tot de laatsten behoort vooral het water in aller-
lei vorm (dampvormig, zoo als nevel, vloeibaar, zoo als
dauw, regen, of zelfs vast, zoo als sneeuw), hetwelk gedeel-
telijk uit de dampkringslucht weder tot de aardkorst terug-
keert en wijders ook een aantal daarin opgeloste, (waaron-
der ook koolzuur- en zuurstofgas,) zwevende of bijgemengde
stoffen medevoert, welke korter of langer aan de zamenstel-
ling der dampkringslucht deelnamen. De graad van vochtig-
heid (d. i. het watorgchalte) der dampkringslucht is niet te
allen tijde en op alle plaatsen gelijk en behoort tot de hoofd-
oorzaken, waardoor men op de eene plaats vaak zoo geheel
verschillende of althans anders tierende gewassen aantreft
dan op eene andere plaats, zelfs bij gelijke zamenstelling van
den bodem. Daarbij komt ook nog in aanmerking de rigting
en kracht der luchtstroomen (winden), de daarmede in ver-
band staande mate der luchtdrukking op onderscheidene tij-
den en plaatsen, maar vooral ook de warmtegraad der damp-
kringslucht, waarin, zoo als gij weet, zeer veel verschil kan
heerschen.
Begint het u nu niet reeds eenigzins duidelijk te worden,
dat de plant, in welker groei gij belang steldet en waarvan
gij al de door u waargenomene verschijnselen eenvoudig aan
«haar leven" plagt toe te schrijven, op eene andere wijze
dient beschouwd te worden? Zij groeit niet, omdat of door
dat zij leeft, maar gij erkent, dat zij leeft, o. a. daaraan, dat
zij groeit. Groei is één van de vele verschijnselen, welke men
te zamen n het leven" noemt. De groei is evenzeer als het in
stand of bestaan blijven een gevolg van voeding. Voor de
voeding wordt in de eerste plaats het intreden van stoffen in
de plant vereischt. Die stoffen zijn in dat, wat eene plant
omringt, voorhanden. Alles, waaruit eene plant bestaat, is uit
die stoffen gebouwd. — Komt gij nu niet tot de overtuiging,
dat wat eene plant u in hare gedaante, kleuren, geuren en
zoo veel meer belangwekkends en treffends ter bewondering