Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
352
toetreding van buiten af noodig, omdat geene plant het ver-
mogen bezit, hare voedingstoffen elders te gaan opzoeken.
Alleen wat haar regtstreeks omringt, kan, zoo het in water
opgelost of gasvormig is, er intreden. De oorzaak echter van
het onmiskenbare feit, dat niet in elke plant uit dezelfde
omringende middelstof geheel gelijke stoiFen, zoowel in aard
als in hoeveelheid, intreden, moet gelegen zijn in eigenaar-
digheden in de zamenstelling van elke plant, omtrent wier
kennis men nagenoeg geheel in het duister verkeert.
De bodem bestaat uit verschillende bestanddeelen; van hunnen
aard, hunne hoeveelheid en hunne vereenigingswijze hangt zijne
deugdelijkheid als geschikte grond voor bepaalde daarop groei-
jende planten af. Want het is niet genoeg, dat er de noodige
voedingstoffen voor die planten in voorkomen, maar het komt
er ook op aan, op welke wijze zij zich daarin bevinden,
b.v. in al- dan niet gemakkelijk in water oplosbaren toestand,
enz. Wat namelijk uit den grond in de planten intreedt, moet
in water opgelost zijn. Van zeer veel gewigt is daarom ook
het vermogen van den bodem, om het daarop uit den damp-
kring nederdalende dropvormig-vloeibare water, ook waterdamp
hieruit en in water oplosbare gassen te kunnen opnemen en
bewaren. Daarmede staat wijders in verband zijn graad van
zamenhang of vastheid, zijn vermogen om al of niet spoedig
door de zon verwarmd te worden en korter of langer die
warmte te behouden. Om al die redenen kan hij, die kunst-
matig planten kweekt, ook niet volstaan, wanneer hij[ in de
scheikundige bestanddeelen van den grond geene genoegzame
voedingstoffen voor die planten aantreft, met daarop andere,
waarin deze wèl voorkomen, aan te voeren, maar heeft hij
vooral op de hoeveelheid daarvan te letten en op den toe-
stand, waarin hij daardoor ten opzigte van genoemde bijzon-
derheden den grond verandert. Ook dient hij daarbij de
voorwaarden voor eene passende zamenstelling van de ver-
schillende lagen van den grond (»boven-", ondergrond", enz.)
niet uit het oog te verliezen (*).
(*) Door bemesting worden aan den grond die stoifen toegevoegd, waaraan men
veronderstelt, dat zij voor de planten, welke men daarop wil kweekt n, gebrek heeft.
Bij het braakliggen laat men de gewenschte verandering van den bodem geheel
aan de inwerking van dampkringslucht, water enz. over. Wisselbouw (regelmatig
afwisselende kweeking van onderscheidene planten op denzelfden grond) heeft ten