Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
in hunnen bouw en andere eigenaardigheden verschillen, dan
dat men ter verklaring van al de daarbij waarneembare ver-
schijnselen dezelfde oorzaken zou mogen vooronderstellen. Zoo
mist, om slechts één voorbeeld te noemen, de plant een zenuw-
stelsel, zijnde een zamenstel van draden, enz. dat bij een dier
niet ontbreken raag, zonder dat dit tevens zijne zintuigelijke ver-
mogens (zien, hooren, gevoelen, enz.), zijne wilskracht en meer
dergelijke eigenschappen, welke men geestvermogens pleegt te
noemen, zou verliezen. Mögt gij dus van planten vernemen,
dat zij b. v. het licht zoeken, of een bepaalden bodem be-
minnen, of gaarne in gemeenschap met gelijksoortige of met
uitsluiting van andere willen groeijen, beschouw dan der-
gelijke uitdrukkingen als overdragtelijke spreekwijzen, die
men tegenwoordig op eene geheel andere wijze weet te ver-
tolken, veel meer overeenkomstig met de waarheid.
Hierbij verlieze men echter niet uit het oog, dat de plant-
kunde eigenlijk eerst sedert ruim eenige tientallen jaren ge-
heel in aanzien veranderd is en vóór dien tijd slechts zelden
met dezelfde onbevangenheid en in dezelfde streng volgehou-
dene rigting beoefend werd, als dit ten opzigte van andere
takken der natuurstudie het geval was.
Reeds spoedig nadat menschen als bewoners dezer aarde
waren opgetreden, moet hun hetnuttige of schadelijke van enkele
gewassen zijn ter kennisse gekomen. In de Mozaïsche boeken
vinden wij reeds van een 70-tal planten gewag gemaakt, en dat
ook bij andere volkeren der oudheid dan de Hebreërs, zoo als
Aegyptenaren, Chaldeërs, Phoeniciërs, enz. sommige planten
o. a. bij godsdienstige gebruiken eene rol speelden, is niet
te betwijfelen. Met welke bedoelingen men zich toen ook
van planten bediende, zoo konde men echter later niets ontdek-
ken, hetgeen het vermoeden wettigt, dat men in die oude tij-
den aan eene eigenlijke „plantkunde", als aan een bijzonder ge-
deelte van de wetenschap, gedacht heeft. Zelfs bij de Grieken,
dat merkwaardige volk, welks beschaving overigens aan
andere natiën dikwijls als model is aanbevolen, was de studie
der natuur over 't algemeen onbeduidend, hoewel hetgeen door
aristoteles (gcb. in 384 v. Chr.) geleerd werd, als de eerste
aanleiding tot eene meer wetenschappelijke bestudering der
gewassen mag beschouwd worden. Van zijnen leerling