Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
348
name wordt wat in de zaden en bereids in de kiem als vast
bestanddeel voorkwam (zoo als in kiemwithoudende zaden
het kiemwit, in kiemwitlooze zaden de inhoud der zaadlob-
ben) in vloeibaren vorm veranderd. Het grootste deel der
daarbij tevens scheikundig omgezette stoffen wordt geassi-
mileerd en strekt ten laatste tot voeding van de geheele
kiem of meer bijzonder van haar as-gedeelte. Een gevolg hier-
van is o. a. de toename van den omvang der kiem, waarbij hare
omhulsels beginnen te bersten of zich langs de daarin bestaande
naden beginnen te scheiden, nadat zij bereids reeds verrot of
althans zeer verweekt zijn. Voornamelijk beginnen de cellen
van den wortel-aanleg het eerst te groeijen en wel altijd in
eene van de oppervlakte des bodems afgekeerde, dus meestal
benedenwaartsche rigting. Wanneer zich nu vervolgens ook de
stengel-aanleg en de zaadlobben gaan uitbreiden, dan bersten de
omhulsels geheel. Bij kiemwithoudende zaden worden de zaad-
lobben door de omgezette en opgeslorpte bestanddeelen van
dit kiemwit gevoed en gemeenlijk met den in tegenovergestelde
rigting van het wortelgedeelte zich verlengenden stengel-aan-
leg boven den grond opgeheven, waarbij zij dikwerf in kleur
en ook min of meer in vorm op de latere bladen gaan gelij-
ken. Bij kiemwitlooze zaden, waarbij de zaadlobben meestal
vrij dik zijn, blijven deze gewoonlijk onder den grond. Vooral
bij eenzaadlobbigen, doch ook bij enkele tweczaadlobbigen,
blijft het hoogere gedeelte der zaadlobben in de omhulsels
bevestigd. Vroeg of laat vallen echter altijd zoowel omhulsels
als zaadlobben geheel af. Alsdan is bereids het wortelknopje
zelf tot wortel verlengd of zijn (zoo als bij de eenzaad-
lobbigen) de eerste bijwortels ontsproten (z. b. bl. 120); wij-
ders is reeds het eindknopje van den stengel-aanleg merk-
baar ontwikkeld en is het eerste of zijn de beide eerste bladen
daarvan min of meer ontplooid; de kiem, wier groei grootendeels
afhing van de voeding door de in haar zelve of in het zaad,
waartoe zij behoorde, bereids vroeger gevormde doch later
omgezette stoffen, is in eene jonge zelfstandige plant veran-
derd ; de kieming is daarmede geëindigd en voor den verde-
ren groei der plant wordt nu o. a. de aanhoudende opname
van nieuwe zelfstandigheden uit de haar omringende middel-
stoffen gevorderd.