Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
344
het voornamelijk werkzaam tot opname van water met daarin
opgeloste stoffen (zoowel bij in het water levende planten-
deelen, als bij in de aarde bevestigde, zoo als wortels, enz.).
Eindelijk ontwijken door de spleetopeningen van epidermis
de gassen en dampen, welke door de daaronder gelegene
cellen worden uitgescheiden en is ook langs dien weg eene
opname van buiten af mogelijk. Dit moet noodzakelijk wijzi-
gend op den inhoud van dieper gelegene weefsels inwerken;
daardoor blijft o. a. de sapbeweging en wat daarmede ver-
bonden is in stand, enz. (z. b. bl. 341).
Kurkweefsel (z. b. bl. 96), hetgeen door het maaksel zij-
ner celwanden het kortst van alle weefsels sapbeweging
toelaat, beveiligt welligt de daaronder liggende cellen voor
een te spoedig verlies van haren inhoud door verdamping,
of kan misschien wegens zijnen poreusen toestand tot de op-
name en verdigting van dampkringslucht of bijzondere be-
standdeelen hiervan bijdragen. Het strekt vaak eensdeels tot
aanvulling van andere verloren gegane weefsels of het draagt
het zijne bij tot opheffing van de sapbeweging in vroeger te
zamen veibondene weefsels.
C. Het bestaan der planten.
Wij noemen eene plant levend, wanneer zij verschijnse-
len vertoont, welke voornamelijk tot haren groei of tot hare
vermeerdering betrekking hebben (z. b. bl. 329). Het spreekt
wel van zelf, dat bij planten van zeer eenvoudig maaksel,
O. a. bij de één-cellige, de verschijnselen van groei en ver-
meerdering niet van elkander te onderscheiden zijn. Bij de
overige gewassen echter is dit gemakkelijker en kan dit strek-
ken, om de deelen der plant, waarbij zich dit verschil het
duidelijkst openbaart, daarnaar met den naam van deelen
voor den groei en deelen voor de vermeerdering
te bestempelen. Zoo wordt de eerste benaming o. a. toege-
past op het loof van vele sporeplanten, alsmede inzonderheid
op woitels, stengels en stengelbladeren, de andere op sporen
bevattende deelen en op bloemen, met wat daaruit verder
ontspruit. Onder de knoppen zijn er, die tot den groei der
plant, waartoe zij behooren, andere, die tot hare vermeerde-