Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
342
als daarin de sapbeweging en voeding voortduren, bestaat in
de toename van den omvang zijner cellen en in de uitbrei-
ding, welke het verkrijgt, doordien en zoo lang zijne cellen
zich vermeerderen. — Van de rigting waarin en de wijze
waarop dit geschiedt, hangt wijders ook de vorm van het
weefsel af.
Somtijds gaat een weefsel, korter of langer na zijn ontstaan,
weder geheel verloren, zoo als b. v. dikwerf met opperhuid-
en kurkweefsel het geval is (z. b. bl. 96). Zoo zijn ook uit-
drooging, werktuigelijke verscheuring, enz. dikwerf de oorzaken
van het ontstaan van opene ruimten in een aanvankelijk za-
menhangend weefsel (z. b. bl. 100); hierop berust ook het
openspringen van helmknoppen (z. b. bl. 277), van vruchten
(z. b'. bl. 224, 226 en 311), enz. Eindelijk kan een gedeelte
van een weefsel door opslorping (z. b. bl. 339) weder ver-
dwijnen, b. V. zekere celgroepeen in jeugdige helmknoppen,
(z. b. bl. 276), de cellen van de kern des zaadknops, voor
zoo ver zij plaats maken voor den kiemzak (z. b. bl. 294);
zoo verliezen de vaatbundels bij de paardestaartigen een ge-
deelte van hun weefsel door opslorping, waardoor luchtkana-
len ontstaan (z. b. bl. 144), enz.
Zoodra nu in een weefsel de sapbeweging, de voeding en
mitsdien de groei voor immer hebben opgehouden, kan men
het als niet meer levend, d. i. als op zich zelf dood beschou-
wen, hoewel het dan toch nog, in zijnen werktuigelijken za-
menhang met andere weefsels, tot instandhouding van eene
overigens levende plant kan bijdragen.
Wat er soms bij de uiteen wijking of scheiding van vroe-
ger zamenhangende weefsels (zoo als bij het afvallen van
bladeren, vruchten, enz.) ge.schiedt, is uit het daaromtrent
bereids (bl. 181) medegedeelde af te leiden.
Zwam- en korstmosweefsel (z. b. bl. 68) onderscheidt zich
vooral door de daarin voorkomende scheikundige werkingen,
welke vaak zeer verschillend zijn van die in andere weefsels.
Dit is O. a. blijkbaar uit de geheel eigenaardige bestanddee-
len, welke men in planten vindt, welke uit zoodanig weefsel
zijn zamengesteld. Bovendien heeft zwamweefsel de eigenschap,
zich met zeer groote snelheid te kunnen uitbreiden.
Wierweefsel (z. b. bl. 69) onderscheidt zich o. a. door zijn