Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
341
moet reeds door den wand van naburige cellen zijn ontwe-
ken, welke laatste op hare beurt weder opnemen, wat-door
den wand der eersten is uitgetreden. Deze wederzijdsche wis-
seling van den inhoud zal, zoo lang de bouw van den cel-
wand aan het doordringen van stoffen niet in den weg staat,
daar het sterkst zijn, waar o. a. het verschil in digtheid, enz.
van den inhoud der aan elkander grenzende cellen het grootst
is. Dit verschil wordt, vooral wat den scheikundigen aard
van den inhoud betreft, steeds grooter, naarmate in de cel-
len, uit het daarin getredene en reeds aanwezige, nieuwe
stoffen gevormd worden. Voor zoo ver deze namelijk
weder door den celwand kunnen uittreden, zijn zij onderschei-
den van hetgeen in de aangrenzende cellen aanwezig is, waarin
of nog niet gelijksoortige of wel bereids andere stoffen ge-
vormd zijn. Er volgt alleen dan vereffening, d. i. tijdelijke of
duurzame stilstand van den overgang van den inhoud eener
cel in eene andere, wanneer, onder overigens gelijke omstan-
digheden, die inhoud in beiden geheel gelijkmatig is. Wat
dus in eenen bepaalden oogenblik niet in cellen geassimi-
leerd wordt (z. b. bl. 337), wat wijders niet regtstreeks tot
hare voeding bijdraagt, of wat niet daarin wordt afge-
scheiden, dringt er weder doorheen, om of in de omrin-
gende middelstof over te gaan, d. i. uitgescheiden te
worden, zoo als men dit noemt (z. b. bl. 338), of dringt in
andere cellen of binnenwaarts gelegene ruimten in. Onder de
uitgesclieidene stoffen is o. a. waterdamp eene der gewigtig-
ste, omdat het eigenlijk vloeibaar water is met daarin opge-
loste stoffen (waaronder ook gassen), hetwelk steeds uit de
eene in de andere cel overgaat. Wordt mi dit water, zoo als
dit o. a. inderdaad bij oppervlakkig gelegene, namelijk met
de dampkringslucht in aanraking zijnde cellen het geval is,
in dampvorm uitgescheiden, dan draagt dit bij tot het ver-
schil in digtheid en scheikundigen aard van den cel-inhoud
in dieper gelegene lagen. Het in 'dampvorm ontwekene maakt
namelijk weder plaats voor drupvormig-vloeibaar water en zoo
ontstaat er dan eene door de weefsels heen zich verspreidende
beweging van water, met het daarin opgeloste, bekend onder
den naam van sapbeweging.
De groei van een weefsel, welke zoo lang mogelijk is.