Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
336
Thans echter, nu gij vernomen liebt, dat die uitdrukking
«omdat het leeft" u geenen stap verder tot het juiste begrip
van hetgeen u in 't oog viel brengen kan, maar dat wel
kortheidshalve van eene plant gezegd kan worden, dat zij
leeft, wanneer men o. a. ziet, dat zij grooter wordt en knop-
pen en bloemen en vruchten verkrijgt, enz. — nu verlangt ge
een ander antwoord, en daarom zal ik u, met herinnering
aan het vroeger (bl. 15) gezegde, dat ik u door de lezing
van dit werkje slechts tot eene degelijker studie der plant-
kunde wil voorbereiden, vlugtig op het een en ander
wijzen, wat tot zulk eene beantwoording leiden kan. De om-
standigheid, dat ik bij u o. a. geene of slechts zeer geringe
kennis van hetgeen tot schei- en natuurkundig gebied behoort,
veronderstellen mag, houdt mij daarbij namelijk binnen zeer
enge grenzen beperkt.
Ik begon met de stelling, dat het bestaan eener plant in
de eerste plaats van de deugdelijkheid der haar eigene weef-
sels afhangt. Dit is even begrijpelijk, al# de stelling, dat
voor het in stand blijven van de eene of andere machine het
allereerst de ongeschonden toestand van elk harer onderdee-
len vereischt wordt. Bovendien mogen geene diep ingrijpende
stoornissen den zamenhang dier onderdeden verbreken. Zoo
vormen ook de verschillende weefsels en de daaruit gevormde
deelen van iedere plant e'én verbonden geheel. De graad van
dit verband kan geringer zijn naarmate van den afstand, waarop
zich de deelen eener plant onderling bevinden; men wachte
zich echter hierbij voor verkèerde gevolgtrekkingen. Zoo staat
b. V. wat er in de hoogst gelegene bladeren van eene plant
voorvalt, in verband met hetgeen er in de uiterste wortel-
spitsen omgaat, en omgekeerd. Sommige deelen kunnen van
eene plant verwijderd worden, zonder dat zij geheel daardoor
vernietigd wordt. De aard dier deelen is moeijelijk voor alle
planten in 't algemeen te bepalen; enkele kunnen b. v. ge-
heele takken verliezen, andere bladen, weder andere bloem-
deelen, enz., terwijl zij toch overigens blijven voortbestaan;
sommige daarentegen zouden b. v. door een plotseling verlies
van alle bladeren tegelijk, tevens haar bestaan eindigen. •—
De deugdelijkheid van elk weefsel op zich zelf is weder in
de eerste plaats afhankelijk van den gaven toestand zijner