Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
S33
Het ïs er nog verre van af', dat men van iedere plant met
zekerheid kan opgeven, uit welke schei- en ontleedkundige
deelen zij zamengesteld is; hoe die deelen vereenigd zijn;
welke de gevolgen dier vereeniging zijn, d. i. wat deze ver-
mag op den bouw der plant in 't algemeen en dien van hare
bijzondere deelen; hoe anderzijds daarvan die verschijnselen af-
hangen, welke men in den toestand, waarin men haar als levend
erkent, daaraan waarnemen kan. Evenmin zijn nog al de voor-
waarden, buiten iedere plant zelve gelegen, voldoende bekend, om
met zekerheid te bepalen, of en in hoeverre deze op het tot stand
komen en bestaan blijven dier verschijnselen invloed uitoefenen.
De levensleer der planten, waarvan inhoud en doel
behooren te zijn de juiste opgave van alles wat er in eene
levende plant omgaat en de naauwkeurige uiteenzetting van de
daarop invloed uitoefenende oorzaken, levert derhalve, zoo als
gij na het gezegde ligt begrijpen kunt, een zeer uitgebreid veld
voor verdere nasporingen. Zij is echter anderzijds niet zóó
beperkt, dan dat ons daardoor niet eenig algemeen over-
zigt van de bij levende planten waarneembare verschijnselen
kan gegeven worden. Reeds veel van wat in de vorige Hoofd-
stukken is medegedeeld, behoort tot haar gebied;, hetgeen nu
volgt, kan dienen, om zich van hetgeen er wijders als zeker
op dit terrein bekend is, eenige voorstelling te verschaffen.
Men verlieze hierbij echter niet uit het oog, dat er in dit
opzigt meer bekend geworden is van de zaad- dan van de
sporeplanten; intusschen trokken ook de laatsten in de jongst
verloopene jaren meer dan vroeger de aandacht der plant-
kundigen en mogt wat daarvan aan het licht gekomen is,
tot opheldering strekken van hetgeen er in de eersten voor-
valt. Hoe verschillend van maaksel de onderscheidene planten
ook zijn mogen, hebben zij toch allen gezamenlijk en groeps-
gewijs bepaalde toestanden en verschijn.selen met elkander
gemeen, welke zich vooral door bestendigheid en regel-
maat kenmerken. Door de erkenning hiervan wordt men als
van zelf geleid tot het aannemen van vaste en onveranderlijke
wetten, waarvan deze afhangen, en gevoelt men zich boven-
dien ook opgewekt tot vereering van den Wetgever, den
Éénigen, bij Wien de kennis van het doel dier wetten en
harer gevolgen berusten kan.