Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
328
is het nagenoeg zeker, dat de som van alles, wat er bij de
eene en bij de andere levende plant omgaat, — al heeft men
het regt aan deze beide denzelfden naam te geven, — zoo
men die met maat en gewigt bepalen kon, niet volkomen en
in alle opzigten gelijk zal zijn, zoodat men zonder aarzeling
stellen mag: iedere plant leeft op de haar in 't bijzonder
eigene wijze. Eén bloem, één blad, ja zelfs één haar meer
of minder wijzigt bereids de grootte dier som.
De natuuronderzoeker tracht zich een begrip te vormen van
de oorzaken der verschijnselen, die hij kan waarnemen.
Schei- en natuurkunde (chemie en physica), vooral ook het
gebruik van het mikro.skoop stellen hem tot meerdere en betere
waarneming in staat dan den ongeoefende, zoodat hij nog be-
weging en verandering opmerkt, waar een ander reeds stil-
stand en ru.st had vermoed. Maar zelfs zijn zijne meerdere erva-
ring en oefening nog op verre na niet toereikende, om alles,
wat er in de planten voorvalt, waar te nemen en te onder-
scheiden, ofschoon hij overtuigd is, dat er nog eene menigte
werkingen in omgaat, die daarom aan zijn waarnemings-
vermogen ontsnapt, omdat dit, in weerwil van de hulpmidde-
len, waarover hij beschikken kan, te beperkt is. Een enkel
voorbeeld zij voldoende tot opheldering: Al weet hij b.v. uit
welke scheikundige elementen eene cel bestaat, is het hem
onmogelijk na te gaan, op welke wijze die elementen zich te
zamen vereenigen, zoodat, als uitkomst dier vereeniging, een
ligchaam — eene cel, —• met eenen bepaalden vorm en andere
nimmer daaraan ontbrekende eigenschappen onistaat. Met andere
woorden: hij ziet een verschijnsel, maar kent de wijze niet, waar-
op het tot stand komt. Zoo als dit ééne, zijn er bij de planten
nog duizenderlei verschijnsels, waarvan hij de werkingen, die
daaraan voorafgaan, niet kent, of wel de invloeden, welke deze
te weeg brengen, d. i. de oorzaken, waarvan zij regstreeks af-
hangen, niet begrijpt. Niet voorzigtig nu is het, voor de oor-
zaken van al die geheime werkingen of wel voor die werkin-
gen en invloeden zelve een woord, zoo als «leven", »levens-
kracht", enz. te bezigen, als ware dit een middel tot ver-
klaring. Meer dan een woord toch is het niet; het brengt
geenen stap verder tot een juist inzigt, belemmert veeleer de
zucht tot verdere nasporing en kan hem, die het veelvuldig