Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
322
ken is, ~ vormt, met of zonder kiemwit, de kern van rijpe
zaden; zij ontstaat uit de onderste dochtercel van eenen be-
vruchten plasma-bol in den zaadknop (z. b. bl. 299 en 301).
In den eenvoudigsten staat, namelijk slechts als een min of
meer bolvormig celgroepje, komt zij bij enkele plantengroepen
voor (*); hoogstens kan men dit als den aanleg van het jonge
a s-gedeelte beschouwen; wat daarvan later tot stengel en
voortel zal uitgroeijen, wordt eerst bij de kieming zigtbaar.
Bij alle andere zaden is het mogelijk een jeugdig as-gedeelte
te onderscheiden, hetgeen aan de ééne zijde uit het stengel-
knopje (z. b. bl. 190) (t) en aan de andere zijde uit het
wortel knopje (z. b. bl. 118) bestaat. Bij die planten,
waarbij het laatste nooit zelf tot eenen wortel uitgroeit (dus
eigenlijk dien naam niet verdient, z. b. bl. 120), is aan het
as-gedeelte de aanleg van één blad, — zaadlob — voor-
^ handen. Bij die, waarbij zich het wortelknopje
tot eenen echten wortel vergroot, (moge diens
duur lang of kort zijn, z. b. bl. 136) vindt
men twee of meer zaadlobben (z. b. bl. 110).
Elk zaad bevat gewoonlijk niet meer dan
ééne kiem; voorbeelden van zaden, die twee of
^bö. Veelkiemig zaad. ^^^^ kiemen plegen te bevatten, zijn slechts
schaars te vermelden.
De vorm der kiemen in haar geheel is bij de onderschei-
dene planten zeer verschillend, hetgeen echter meestal van
den vorm der zaadlobben afhangt. Hare kleur is gewoonlijk
wit, somtijds geelachtig, of wel, voornamelijk in onrijpen toe-
stand, groen.
De ligging der kiem is, op eenige weinige uitzonderingen
na, altijd zoodanig, dat haar wortel-gedeelte naar die zijde
gerigt is, waar zich in den zaadknop het poortje bevond,
hetgeen somwijlen nog op het zaad zelf zigtbaar is, dus in
(*) B. bij Orclüdéën, Orobanchéën, Bilanophoréën, enz.j vergel. bl. 114.
(+) Het woord „pluimpje" wordt dikwijls in denzelfden zin als „stengelknopje"
gebezigd j meer bepaald echter, om den aanleg van den jeugdigen stengel met den
daaraan bevestigden aanleg der eerste bladeren aan te duiden.
450. A. Zaad van den oranjeboom (Cllrus Auranliwn), aan de voorzijde van het
buitenste gedeelte der zaadhuid ontdaan; B. bij opening van het binnenste gedeelte
daarvan vindt men dikwyis 3, 4 of 5 ongelijke, om elkander heen gerolde kiemen. —
Behalve de Ct/nzs-soorten, worden ook Viscuin en eene Mangifera-^ooiX, als meer
dan 1 kiem in elk zaad bevattende genoemd.