Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
319
van, d. i. het aantal der uit ongelijkvormige cellen bestaande
lagen, yvelke de kern omkleeden, niet altijd aan het aantal
omhulsels van den zaadknop (z. b. bl. 292); men vindt er
soms meer, soms minder. Evenmin kan het als algemeene
regel gelden, wat dikwijls wordt opgegeven, dat namelijk die
omhulsels bij elk zaad uit twee vliezen of lagen zouden bestaan;
dit getal is veel meer afwisselend (tusschen 1 en 5), doch
zoo als ligt te begrijpen valt, voor het zaad van elke bijzon-
dere plantsoort bestendig hetzelfde; niet door oppervlakkige
bezigtiging, maar door miskroskopische ontleding kan het
aantal lagen, waaruit het zaadomhulsel bestaat, bepaald wor-
den. Ook kunnen alleen daar-
door de aard en oorsprong
worden onderzocht van de
verschillende aanhangsels,
welke op sommige zaden
voorkomen en dikwijls reeds
in aanleg op de zaadknop-
pen voorhanden waren (z.
b. bl. 294).
De zaadhuid — zoo noemt men gemeenlijk de zaad-
omhulsels, hetzij die uit één of uit meer lagen bestaan, —
hangt bij enkele vruchten zoo naauw met het vruchtbekleed-
sel te zamen, dat eene scheiding van beiden, voor het onge-
wapende oog althans, niet mogelijk is (z. b. noot 434). In alle
andere gevallen vindt men haar van zeer afwisselende zelf-
standigheid: vliezig, leêr-, houtachtig, enz.; soms zelfs saprijk,
brijig, enz.; even verschillend is ook hare kleur. Het uit-
wendig aanzien van de oorspronkelijke aanhechtingsplaats aan
den zaad- of aan den knopdrager (z. b. bl. 289), de kring-
vormige opening aan den top (z. b. bl. 293), enz. hebben na
446. Aanhangsels van de zaadhaid.
440. Een zaad A. van de den (Ptnus sylréstris), met eene vleu gelvormige uitbrei-
ding van de zaad huid. B. Van de stinkende gouwe {Chelidóniutn mdjux), met eene
kamvormige uitbreiding daarvan. C. Van de wilg (Sa/ix), met eene haarvormige
uitbreiding, volgens sommigen van den knopdrager, volgens anderen van het buitenste
gedeelte der zaadhuid. D. 2 zaadjes van eene katoenplant (Gossypiuin), met haren
(katoen), dat zijn verlengsels van de opperhuidscellen, bezet (z. b. bl. 75 en 94).
E. Eene plaatvormige, vertakte uitbreiding, zoogenaamde zaadrok (z. b. bl. 294), zijnde
de wel bekende „foelie", rondom het zaad van den muskaatnotenboom (Myrïslica
frdgrans), welke men, even als die van Erónymus (z. b. fig. 400), beschouwt als den
uitgegroeiden rand van het poortje. — Vergel. ook fig. 414 B.