Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
317

U5. Dpenspringeodfi vnichteD, met
bedekt blijvende zaden.
sluiten, steeds zal het optre-
den van eene rijpe vrucht ^
op eene plant tot aanwijzing
strekken^ dat deze een geheel
tijdperk van wasdom door-
loopen heeft. Door eene wijze
beschikking echter is tevens
gezorgd, dat, indien zelfs,
gelijk bij één- en tweejarige
gewassen, de plant daarmede
tot het einde van haar be-
staan genaderd is, (en niet,
zo© als de zoogenaamde over-
blijvende planten, kan blijven voortleven,) nieuwe en meerdere
planten, overeenkomstig met die, welke de vrucht voortbragt,
kunnen ontstaan ; — nieuwe, omdat elk rijp zaad, in eenen
daarvoor geschikten bodem post vattende, tot ééne plant kan
uitgroeijen, — meerdere, omdat het aantal der aldus uitsprui-
tende gewassen afhankelijk is van het getal der zaden, welke
te gelijker tijd in voor hunne verdere ontwikkeling gun-
stige omstandigheden zijn verplaatst. — Zoo is voor een
groot deel de instandhouding en uitbreiding van het tegen-
woordig levende plantenrijk verzekerd, zoo lang althans de
aardkorst en al wat daartoe behoort in dien staat blijft ver-
keeren, dat de ontkieming en verdere groei van planten aan
dezelfde regelen en invloeden onderworpen blijven, als waar-
van zij thans afhankelijk zijn.
ten steeltje blijven hangen; weshalve men deze splitvrucht, bij al de schermdragen-
den (Umbelliféren) voorkomende, hangvrucht heeft genoemd. C. Dezelfde, v3ör de
splijting, dwars doorgesneden. — Op de buitenvlakte der hangvruchten komen min
of meer uitspringende ribben voor, terwijl in de daartusschen gelegene groeven dikwijls
anders gekleurde streepjes zigtbaar zyn, gevormd door vlugtige olie bevattende ka-
naaltjes.
445. A. Zich in eenige tweekleppige doosvruchten splitsende vrucht, met in 't mid-
den overblijvend „zuiltje" van den wonderboom {Ricinus commünis). B. Dezelfde, v<J(Jr
het openspringen overlangs doorgesneden. C. Vrucht van de rondbladige malowe (3/<i7ra
rotundi/ólia)omhuld door den overgeblevenen kelk, blijft na hare splitsing in meerdere
eenzadige vruchtjes hier ook, zoo als uit D. (overlangsche doorsnede) blijkt, in 't
midden nog een gedeelte der vrucht over. E. Vrucht van een ooijevaarsbek (Geramuw);
van onderen bevindt zich nog de overgeblevene kelk; bovenwaarts de nog later
voort gegroeide (uit 5 zamengestelde) stijl-, hieraan hangen de vijf zaaddoosjes, waarin
zich de vrucht, onder snelle omkrulling dier zeer veerkrachtige stijlen, gesplitst heeft,
waarbij tevens de zaden werden weggeslingerd.