Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
313
vrij teontsiiappen;
zulke vruchten
heeten 1) doos-
vrucht en.Heeft
de ontstane ope-
ning of splitsing
van het vruchtbe-
kleedsel echter al-
leen eene schei-
ding hiervan in
meerdere deelen
ten gevolge, zóó
namelijk, dat elk
dier deelen nog
het zaad blijft om-
sluiten, welk laat-
ste dus niet da-
delijk vrij ont-
snappen kan, dan
noemt men ze 2)
spli t vruchten.
Ieder dier alge-
meene hoofdver-

436,
Open^pringenie vrflcMeo, met daarin bloot liggende zaden
435. A. Haauw (verkleind) van de muurbloem (Oheirdnthus C/te tri); zijnde 2»hok-
kig en 2-kleppig; de kleppen springen los van het middelschot, hetgeen de zaaddra-
ger is. 6. Haauwtje (vergroot) van de herderstas (Capsélla Bürsa pasióris)-, met
dezelfde zamenstelling als de haauw, doch niet veel langer dan breed, of wel breeder
dan lang. Beide vruchtvormen zijn met name aan de groep der Cruclféren eigen.
Eene uitzondering hierop vormt o. a. de haauw der radijs (Rdphanus), die 6f, geheel
gesloten blijvende, afvalt, 6t zoo als C. (zijnde de vrucht van de wilde radijs, üïap/ianu«
Raphanislrujn) door een aantal dwarse verdeelingen gesplitst wordt. D. Een ge-
deelte daarvan, overlangs doorgesneden. E. Opengesprongene vrucht van de tot de
Papaveracéën behoorende stinkende gouwe (Chelidónium mdjus); met den uitwendigen
vorm van een haauw, doch inwendig geen volkomen tusschenschot bezittende. —
Veze vruchten behooren allen tot de groep der „doosvruchten."
436. A. Opengesprongene peulvrucht van de erwt (Pisum sativum), zynde één-
hokkig, één- of veelzadig, tweekleppig; met de zaden langs de beide klepranden vnn
ééne spleet; aan vele „vlinderbloemigen" (Papilionacéen) eigen; niet aan allen: B.
is b. v. eene vrucht of liever eenige bijeenstaande vruchten van het bonte kroon-
kruid {Coronilla vdria), die, even als die van het vogelpootje (OrrnV/iopu5), met dwarse
verdeelingen openspringen, wrike de zaden nog omsloten houden; C. dezelfde (ver-
groot), geopend. Deze behoort dus eigenlijk tot de „splitvruchten5" de echte peul-
vrucht daarentegen tot de ,,doosvruchten." D. De vrucht van de tot dezelfde groep
behoorende esparcette {Onóbrychis saiiva), van geheel andere gedaante dan eene
peul; zijnde een dopvrucht, kort, plat, aan weerszijden netvormig geaderd en met